Opinie

Interview

Een halve zondag

Elk jaar valt 25 december op een andere dag. Niettemin was volgens mijn moeder de 25ste altijd een zondag, en was dus zondagsheiliging op Eerste Kerstdag geboden. In de onlangs uitgegeven brieven van Pijper kwam ik een mooie passage tegen over die zondagsheiliging. Over zijn gereformeerde jeugd schrijft hij: „De ergste nachtmerrie daarvan is de herinnering aan de zondagen: een uur later dan anders moeten opstaan, naar de kerk met de biljartgroensaaien gordijnen en de salpeterlucht en het gebral van de dominee; en ‘zondags’ eten met Groot Vlees, en moeten wandelen ’s middags en ’s avonds weer naar de kerk, en je zondagse pak aan dat te groot was, want op de groei gekocht.’

Ook ik mocht op zondag pas om acht uur mijn bed uit, ook wij hadden ‘zondags’ eten omdat de aardappels al op zaterdag geschild werden, maar Groot Vlees hadden wij niet, en mijn zondagse pak was niet op de groei gekocht, maar afkomstig van een oudere neef die eruit gegroeid was. Dus het was niet alleen te groot, maar stonk ook nog – wat dat betreft was Pijper beter af.

Een nachtmerrie zou ik die zondagen niet willen noemen, maar dat Eerste Kerstdag ook gold als zondag viel mij zwaar en leek mij bovendien totaal onbijbels. Ook dan pas om acht uur je bed uit en dat te grote, stinkende pak van je neef aan.

Erger nog was de kerstmaaltijd. Mijn vader slachtte, voorafgaand aan kerst, konijnen voor notabelen in het Baarhuisje op de Algemene Begraafplaats. Hij werd daarvoor beloond met pakjes sigaretten, en hij mocht doorgaans zelf ook de konijnenkoppen hebben. Met een beetje geluk kwam hij in bezit van vijf exemplaren. Die werden dan op Eerste Kerstdag plechtig door mijn moeder opgediend – mijn vader en moeder kregen de forse koppen van de Vlaamse reuzen (een konijnenras) en mijn zus, mijn broer en ik de kleine kopjes van de hollandertjes (ook een konijnenras).

Mistroostig zaten mijn broer, mijn zus en ik naar die schedeltjes met hun holle oogkassen te staren. Erger nog waren die lange, kromme snijtandjes. En het is opmerkelijk hoe weinig eetbare onderdelen zo’n konijnenkop bevat, en hoe taai die zijn. Dus wij, bevoorrechte babyboomers toch, werkten die konijnenwangetjes kokhalzend naar binnen. Dat ontging mijn vader niet en die hield ons dan voor dat we niet zo ondankbaar mochten zijn. „Denk nou eens aan al de arme kindertjes onder de evenaar”, zei hij dan, „die stakkertjes krijgen in het beste geval beschimmelde boombast op hun bordjes.”

Op Eerste Kerstdag volgt uiteraard altijd Tweede Kerstdag. Volgens de ondoorgrondelijke, religieuze logica van mijn moeder was Tweede Kerstdag een Halve Zondag.

’s Morgens golden nog de wetten van de zondagsheiliging, ’s middags mocht je het pak uittrekken en zowaar opeens fietsen en knutselen. En de opmaat daartoe was het middagmaal van Boekweitgrutten.

O, zo onvoorstelbaar lekker als die grutten waren na de griezelige snijtandjes een dag eerder. Nog altijd serveer ik, ter herinnering daaraan, daarom al op Eerste Kerstdag gruttenbrij met boter en stroop.

En zo verrukkelijk weinig tijd als het kost om die grutten klaar te maken, in tien minuten staan ze dampend op tafel !

Frits Abrahams is afwezig tot 3 januari