Analyse

‘Ik stond altijd aan. In plaats van dat mijn apparaten mij dienden, diende ik hen’

Technologie De technologische beloftes van de jaren 10 vertoonden nogal wat verborgen gebreken. Net als de mensen die deze techniek moesten gebruiken.

Illustratie Olf de Bruin

Het begon afgelopen zomer, op de eerste dag van de vakantie. Of beter: de eerste nacht. Ik werd wakker met een pieptoon in mijn hoofd. Eerst hinderlijk, daarna ondraaglijk. Het hield niet meer op.

De diagnose was tinnitus, oorsuizen, door overbelasting. „Je hersens zijn overprikkeld geraakt”, zei de arts. „Wen er maar aan, dan wordt het vanzelf minder.” En hij riep de volgende patiënt.

Ik pijnigde mijn piepende hoofd en keek terug. Al jaren deed ik verslag van de technologiewereld: ik omringde mezelf met schermen, apps en diensten. Met wifi, 4G, laptops en smartphones verliep mijn digitale bestaan gesmeerd: de agenda’s gesynchroniseerd, geoptimaliseerd en via de cloud gedistribueerd.

Ik dacht dat ik de apparaten best aardig onder controle had. De telefoon stond op stil, de app-groepen waren tot zwijgen gebracht en sociale netwerken had ik teruggeschroefd tot het absolute minimum. Toch was ik ergens de regie kwijtgeraakt. Zelfs op de sportschool of in bad beluisterde ik podcasts voor mijn werk, werkte snel een interview uit of deed onderzoek voor een artikel. Ik stond altijd aan. In plaats van dat mijn apparaten mij dienden, diende ik hen.

Omgaan met de overvloed aan prikkels en pixels is een van de dingen die ik het afgelopen decennium moest leren. En niet ik alleen. De prestaties van middelbare scholieren lopen terug, waarschuwen docenten. De kinderen hebben moeite met lezen. Ze vinden lessen saai in vergelijking met online video, games en sociale media. De remedie: focus-les om je weer te leren concentreren.

Over de aantrekkingskracht van de smartphone: Hoe de smartphone ons verslaafd maakt

De afgelopen tien jaar ver-appte de wereld. De mobiele levensstijl: thuisbankieren, thuiswerken, thuiswinkelen werd onderweg bankieren, onderweg werken en onderweg winkelen. Een reis zonder Google Maps en Spotify kan ik me niet meer voorstellen. Geen vakantie zonder FaceTime, YouTube en Netflix. Gebogen hoofden met koptelefoons op het perron, in de trein, op de fiets. Eerst daten met de app, dan appen met je date. In plaats van een sigaret nemen we snel een selfie. Met filter.

De eerste swipe

De zegetocht van de smartphone begon op een dinsdagochtend in januari 2007. In het Moscone Center in San Francisco presenteerde Steve Jobs de iPhone. Ik hapte, net als de hele zaal, naar adem toen de Apple-oprichter met een veeg-beweging het Unlock-knopje ontgrendelde. We waren getuige van de eerste swipe die het smartphonetijdperk opende.

De mobiele revolutie kwam op gang. Vanaf de iPhone 4 (2010) en de Samsung Galaxy S promoveerde de smartphone van gadget tot onmisbaar gereedschap. Al in mei 2011 sloeg telecomaanbieder KPN alarm over de opkomst van WhatsApp, de app waarmee je elkaar gratis berichten kunt sturen. WhatsApp maakte sms-bundels overbodig. We ruilden dat tijdrovende telefoneren in voor iets wat minstens zo veel tijd zou gaan kosten: het bijhouden van tientallen app-groepen.

Appen is een dagtaak, berekenden Israëlische onderzoekers in 2018. Zij analyseerden WhatsApp-gebruik van 111 mensen. In vijftien maanden kregen en verzonden die 111 personen samen 6,5 miljoen berichten. Elke dag gemiddeld 38 berichten die getikt werden, 148 die gelezen moesten worden. Elke dag.

Vandaar dat we om de haverklap naar onze telefoon grijpen. Vandaar dat Facebook besloot om WhatsApp te kopen. Nu levert Facebook de drie meest gedownloade apps op de smartphones – Facebook, WhatsApp en Instagram – en is het een essentiële schakel in onze communicatie.

‘We gaan zeker fouten maken’

In 2011 had Facebook een wat rommelig hoofdkantoor, een voormalig gebouw van HP in Palo Alto. Andrew Bosworth, hoofd van Facebooks programmeerstaf, deed een belofte. „We gaan zeker fouten maken, alleen weten we nog niet welke.”

In 2011, net voor de beursgang, telde Facebook 800 miljoen gebruikers en had het al verschillende privacy-schandalen overleefd. „We leren het meeste van boze gebruikers”, zei Bosworth, met de arrogantie van een bedrijf in hypergrowth-modus. Het Facebook-netwerk telt nu bijna 2,5 miljard leden.

Lage drempels en hoge betrokkenheid, zo bereikten sociale media hun snelle groei. Algoritmes bepalen welke berichten en filmpjes de meeste aandacht krijgen, en worden zo ingericht dat spraakmakende uitingen automatisch de meest prominente plek krijgen. Giftig commentaar, haat en geweld laten zich niet zomaar wegfilteren. Laat staan nepaccounts, hoaxes of gemanipuleerde beelden.

In plaats van een sigaret nemen we snel een selfie. Met filter

Bemoeienis met de inhoud is iets waar Facebook, YouTube en Twitter hun vingers niet graag aan branden. Dat is complex, duur en lastig te automatiseren. In techjargon: it doesn’t scale. Sociale media zijn daarom een makkelijke prooi voor oplichters – doorzichtige nepadvertenties worden pas geweerd als John de Mol een rechtszaak aanspant.

Politieke manipulatie blijkt net zo eenvoudig: „De verspreiding van Russische propaganda, in 2016, was een blinde vlek voor Silicon Valley”, vertelde Alex Stamos, de voormalige veiligheidsbaas van Facebook.

Facebook werd verketterd en moest bovendien voor 5 miljard dollar schikken toen bleek dat gegevens van 87 miljoen Facebook-gebruikers misbruikt waren voor propaganda bij de verkiezingscampagne van Donald Trump.

Opvallend: in 2012 was die methode nog geen enkel probleem. Harper Reed, destijds baas van Obama’s campagne-team, legde me trots uit hoe hij ‘Twitter- en Facebook-kanonnen’ inzette als wapens voor de verkiezing. „We moesten mensen zo ver zien te krijgen dat ze hun gegevens vrijwillig beschikbaar stelden via Facebook. Dus ontwierpen we een app die zo aantrekkelijk was dat mensen erop inlogden en zo hun gegevens deelden.”

Eventjes, aan het begin van de jaren 10, was er de hoop dat sociale media de democratische grondbeginselen zouden verspreiden in de rest van de wereld. Maar verhalen over de Twitter-revolutie in Iran en de Facebook-revolutie in Egypte bleken overdreven. Sociale media mobiliseerden het protest, maar konden geen maatschappelijke veranderingen afdwingen. Sociale media in niet-democratische landen zijn eerder een instrument om verkiezingen te manipuleren, waarschuwt Alex Stamos.

Twitter is niet de stem van het volk, maar het netwerk waarmee Trump de media-agenda bepaalt. Een presidentiële tweet als koninklijk decreet – 271 per week, desnoods.

Slaap als concurrent

In onze persoonlijke nieuwsfeeds versmelten media, entertainment en commentaar in een eeuwig scrollend scherm. Overvloed is de norm. Spotify telt 35 miljoen liedjes, YouTube groeit elke minuut met 300 uur aan nieuwe video.

Volgens een meting afgelopen november spenderen Nederlanders gemiddeld 79 minuten per dag aan sociale media. Het is voor het eerst dat die tijdsduur daalt, meldde onderzoeksbureau Multiscope.

Zouden we uitgekeken zijn? Of gewoon uitgeput? Toen hem in 2017 werd gevraagd of hij bang was voor nieuwe online videodiensten, antwoordde Netflix-topman Reed Hastings dat Netflix’ grootste concurrent ‘slaap’ was – die hinderlijke gewoonte van de mens om een paar uur per etmaal niet toegankelijk te zijn voor prikkels van buitenaf.

In de aandachtseconomie blijft tijd het schaarse goed. Daarom moeten automatische filters en aanbevelingen de weg wijzen in het grote contentwoud. Zulke software bepaalt nu ook wat we doen in de fysieke wereld. Soms werken we rechtstreeks voor een algoritme, bijvoorbeeld als je je dagen vult als Uber-chauffeur of maaltijdbezorger. Vaak help je het algoritme via een omweg, als je gevraagd wordt data te delen ‘om dit product te verbeteren’. Bij spraakassistenten ging dat mis: Alexa, Siri en Google Assistent bleken ongevraagd geluidsfragmenten door te spelen aan menselijke beoordelaars.

Misschien logisch vanuit het oogpunt van data-analyse, maar dat was niet de afspraak. De verontwaardiging is begrijpelijk: smart home of niet, de intimiteit van je eigen woning is geschonden.

In de openbare ruimte word je continu gefilmd. Er zijn in Nederland 228.530 bewakingscamera’s geregistreerd bij de politie die hun beelden gemiddeld 23 dagen bewaren. In werkelijkheid zijn het er meer. Camera’s zitten ook verstopt in deurbellen en natuurlijk heeft iedereen een camera bij zich: de smartphone. Dat maakt anoniem door het leven gaan lastig. Met één druk op de knop – deel deze video – is het beeld publiek bezit. De alomtegenwoordige camera is een wapen tegen misdrijven maar helpt net zo goed verdachten aan de schandpaal te nagelen of wraakporno te verspreiden.

Anoniem door het leven gaan is lastig nu iedereen een camera bij zich draagt

De digitale samenleving speelt de surveillancestaat in de kaart. Dankzij klokkenluider Edward Snowden weten we hoeveel informatie overheden van ons verzamelen. Er kwamen wetten: een nieuw dataverdrag met de VS, een strengere privacywet in Europa, om technologie in goede banen te leiden.

We zijn nauwkeurig te traceren en niet alleen op het web. Locatiediensten weten waar we gaan en staan, sporthorloges seinen onze hartslag en bewegingspatronen door naar de verzekeraar. Je gezicht wordt gescand op meer plekken dan je lief is.

Niet alleen de grote techbedrijven oogsten deze data. Ook de overheid laat software onze gedragspatronen analyseren om fraudeurs op te sporen, op het gevaar af de privacy van burgers te schenden of in de risicoprofielen oude vooroordelen te laten doorgalmen.

In de datamaatschappij wordt de druk opgevoerd. Je prestaties, niet alleen sportief, zijn makkelijker meetbaar en vergelijkbaar. De getallen regeren. Hoeveel sterren krijg jij als chauffeur, bezorger of telefonist? Hoeveel seconden worden jouw stukken gelezen? Zelfs onze relaties zijn kwantificeerbaar: hoeveel likes, retweets, hoeveel posts, hoeveel mensen tel jij in je netwerk?

Klik op OK

Technologie zit, zo bleek in de jaren tien, vol verborgen gebreken. Dat geldt ook voor de mensen die de technologie gebruiken. Zoals Mark Zuckerberg zich naar verluidt in 2004 verbaasde over de „dumb fucks” die hun naam en foto zonder aarzeling uploaden naar zijn dienst, zo zullen meer bedrijven verbaasd zijn hoe makkelijk we op ‘OK’ klikken. Hoe we ons simpele wachtwoord blijven hergebruiken. En hoe we verkleefd zijn geraakt aan een lichtgevend rechthoekig schermpje. Smartphonezombies kregen in China een aparte zone op het trottoir. Automobilisten en fietsers vergeten de wereld om zich heen. In Nederland stijgt het aantal verkeersdoden voor het eerst sinds jaren.

Illustratie Olf de Bruin

Toen hij in 2011 stierf, werd Jobs geprezen als een Ziener; iemand die wist welke apparaten mensen wilden gebruiken, nog voordat ze het zelf wisten. Voor de schadelijke bijverschijnselen had hij net zo goed een vooruitziende blik: als vader probeerde Jobs het gebruik van technologie door zijn kinderen te beperken. Nu wordt de iPhone – en ook Google Android – geleverd met bijsluiter: een app die waarschuwt als je te veel tijd doorbrengt aan het scherm.

Techbedrijven beloven de wereld beter en efficiënter te maken – dat is hun beroep. Maar zoals aan het begin van het decennium, klakkeloos aanvaarden wat er vanuit Silicon Valley (of China) op ons wordt afgevuurd, blijkt vreemde bijwerkingen te hebben. Dat krijg je als je blunders afdoet als beginnersfouten, het pr-offensief slikt als zoete koek.

Consumenten en burgers zijn overgeleverd aan bedrijven die zich in alle hoeken en gaten van de maatschappij nestelen. Big tech vindt zichzelf nog altijd niet groot genoeg. Wat begon als een vriendennetwerk, zoekmachine of webwinkel groeide uit tot digitale valuta, bewakingssysteem of medisch conglomeraat. De expansiedrift is nog niet bekoeld en smeekt om regulering.

Gelukkig, niet alles wordt een succes. Google Glass sneuvelde. De aangekondigde virtual reality-hype kwam niet. De spraakassistent is nogal traag van begrip en zelfrijdende auto’s lopen niet zo’n vaart als aangekondigd. De robots hebben de wereld nog niet overgenomen.

Implanteren

Veel angst voor kunstmatige intelligentie is gebaseerd op sciencefictionclichés: een dreigende mix van spraaksoftware, wandelende machines en algoritmes die een ingewikkeld bordspel beheersen. Maar algemeen toepasbare kunstmatige intelligentie is er nog niet, laat staan eentje met bewustzijn. We lopen eerder het risico dat we gebrekkige algoritmes te veel macht toedichten; vaak walsen ze de complexe werkelijkheid plat.

Over algoritmes die pretenderen emoties te herkennen: Een mens is geen emoji

Elon Musk, de andere tech-visioniair, zet zich wel schrap. Om onszelf te beschermen tegen de opmars van kunstmatige intelligentie moeten we technologie niet mijden maar omarmen, vindt hij. Implanteren zelfs. De topman van Tesla en SpaceX was wat betreft technologie de smaakmaker van het afgelopen decennium. Zijn nieuwste project is Neuralink, een chip die je hersens wil koppelen aan een externe computer.

Neuralink is gebaseerd op de verwachting dat we als mens tekortschieten om ons te kunnen redden in een wereld waarin computers en software de dienst uitmaken. Als je hoofd begint te piepen of vastloopt na een overdosis prikkels, dan ligt de oplossing voor de hand: geheugen bijprikken en je rekencapaciteit uitbreiden. Om te overleven zit er volgens Elon Musk maar één ding op: niet uitschakelen maar upgraden.