Opinie

Ze is een Trojaanse, ze is een Syrische

Marjoleine de Vos

En wat was dit dan weer voor een jaar? En wat was ik dit jaar dan weer voor iemand? De tijd van het verhalen vertellen breekt weer aan, terugblikken waarin ordeningen en patronen verschijnen, leugenachtige praatjes waarin je zegt wat je deed en was. „Ik was in Rome.” Jaha! Dat dácht je maar, of beter: dat zeg je maar.

Wie was daar in Rome? Jij? O ja?

O muze, vertel mij van de vrouw die in Rome was. Van de vrouw die in een ander huis woonde dan ik. Van de vrouw die haar tas nog had (want die werd pas op de laatste Rome-dag gestolen). Van de vrouw die nog dacht aan de man die nog leefde, nog brieven schreef, nog at en sprak en mopperde en lachte – enfin. Leefde. Van de vrouw die die rouw nog niet kende. Van de vrouw die nog niet van dít uitzicht genoot, die nog niet Raveel begreep, de vrouw die nog niet dagelijks de eerste regel van een gedicht van Lucebert mompelt: „Het huis laat ons samenwonen.” Wie o wie mag dat geweest zijn?

Een verhaal. Maar toch ook een of andere vorm van werkelijkheid als we niet al te filosofisch moeilijk gaan zitten doen.

En dan praat je nog niet over de rest van de wereld, hoe alles en alles verschijnt en verteld wordt in het licht van wat je nu weet, achteraf. En hoe je praat alsof toen hetzelfde was als nu. Hoe het vertellen alles verandert en vervormt.

Ook buiten de onmogelijkheden die het praten over gebeurtenissen nu eenmaal opwerpt, zijn er nog de besproken gebeurtenissen zelf. De totale ongelijksoortigheden: dit was het jaar waarin Derk Wiersum werd vermoord, waarin honderden vluchtelingen verdronken, waarin bosbranden in Australië een gebied ter grootte van driekwart van Nederland verwoestten, waarin lachende soldaten in Irak mannen aan hun armen ophingen en waarin ik op Vlieland was en in zee zwom en in de strandruimte liep en vond dat ik dat nodig had, om me te troosten.

Het jaar waarin Nederland weer niet minder vlees at, vliegschaamte kreeg en massaal op reis ging.

Het jaar waarin ik heel vroeg op een zomermorgen door het weiland fietste en de wereld er zo overweldigend heerlijk bij lag dat ik wel dieper adem moest halen omdat er zo veel in me opwelde aan vreugde en leven.

De woorden zijn niet hoe het was en hoe het was is niet hoe we het vertellen en niet voor de eerste keer grijpt de wanhoop om onze onmacht me maar weer eens aan en die onmacht en die wanhoop doen er ook niets toe.

Of juist alles, want als je de dingen die je diep voelt wegwuift als onbelangrijk, wat is dan nog wel belangrijk?

Om toch iets belangwekkends te doen las ik maar weer eens Euripides’ Trojaanse vrouwen. Ik zag ze, die Trojaanse vrouwen, op een film in het British Museum, ze waren nu Syrische vrouwen die zeiden volstrekt te begrijpen waar dat stuk over ging: over hen. Zij wisten wat die Trojaanse vrouwen doormaakten, zij hadden het zelf doorgemaakt.

En je zag ze klagen om hun lot, dat een lot was dat ook al 2.500 jaar geleden beschreven was. Al 2.500 jaar geleden vond een man woorden voor de gevoelens van een wanhopige vrouw die gevlucht is uit een verwoeste stad. Ze is een Trojaanse, ze is een Syrische. Haar man is dood. En niet alleen de hare. „Ons gemis is zo groot”, zegt ze.

Dan is de taal niet zo leugenachtig meer. Maar onmachtig blijft hij wel – die stad, die man, ze gaan en gingen verloren en de vrouw, die niet meer is wie ze was, blijft achter, stamelend.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.