Bram Petraeus/Hollandse Hoogte

Interview

’Een jongen, zei de non, en toen werd hij weggehaald’

Ongehuwde moeders In de jaren zestig moest Trudy Scheele haar baby afstaan. Nu stelt ze de staat aansprakelijk. De laatste maanden meldden zich 460 lotgenoten.

Er was iets mis met Trudy Scheele (73). Haar dochter dacht al jaren dat haar moeder een geheim verborg. Waarom had Scheele bijvoorbeeld bijna geen contact met haar familie? „Ik verzon smoesjes”, zegt Scheele. „Dat ik niet zoveel met mijn broers en zus had, dat mijn familie nu eenmaal niet zo spontaan was.”

Maar op een dag een jaar geleden, haar inmiddels 45-jarige dochter vroeg wéér naar de familieband, kon Trudy Scheele het niet meer binnen houden. „Nou”, zei ze, en opeens zat er een snik in haar stem, „ik heb een zoon, en jij hebt dus een oudere broer. Ik ben gedwongen om hem af te staan.”

Scheeles zus en moeder wisten er al die tijd van, maar haar vader en broers niet, dat maakte het zo moeilijk om contact met ze te hebben.

Trudy Scheele zit aan een groot bureau in de werkkamer van haar huis in Epe, aan de rand van de Veluwe. Het tafelblad is bedekt met papieren, die ze soms ter ondersteuning van haar verhaal naar voren schuift. Krantenartikelen uit de jaren zestig over het ‘actieve adoptiebeleid’, waarin onomwonden staat dat ongehuwde vrouwen zoals Scheele hun kind maar beter konden afstaan. „Kijk”, zegt Scheele, „je ziet hoe normaal het destijds was”.

Na het gesprek met haar dochter is er een luikje naar het verdrukte verleden opengegaan, zegt ze. Daarom besloot ze uit te zoeken waarom zij de zoon die ze zelf wilde opvoeden toch verloor. „Ik snap niet dat dit is gebeurd.”

Terwijl ze onderzoek deed naar het verleden, besloot ze de staat aansprakelijk te stellen voor het gedwongen afstaan van haar kind. Er hebben zich inmiddels 460 afstandsmoeders, hun kinderen en andere betrokkenen gemeld. Voor het proces wordt geld ingezameld door vrouwenrechtenorganisatie Clara Wichmann. „Een vrouw werd alleen gezien als mens als zij getrouwd was. Zonder een man bestond je niet.”

‘Het is beter dat je het afstaat’

In juni 1967 voelt de 21-jarige Trudy Scheele zich niet zo lekker. De pil was sinds drie jaar verkrijgbaar in Nederland, maar nog lang geen gemeengoed. Ze is zwanger van haar vriendje, een extraverte letterzetter uit Utrecht. Als ze hem vertelt dat ze in verwachting is, bekent hij een ander te hebben. Scheele wil het kind alleen opvoeden en is van plan op zoek te gaan naar een huis. Het liefst in een grote stad, misschien wel Amsterdam, want daar worden alleenstaande moeders eerder geaccepteerd dan in het katholieke Huissen, een kleine stad tussen Arnhem en Nijmegen. Maar nu heeft ze niet genoeg geld voor zo’n stap, Scheele is nog bezig met haar opleiding tot verpleegkundige. Het ouderlijk huis is groot genoeg en ze verwacht dat ze daar zeker de eerste periode kan wonen. Scheele is nog maar een paar maanden zwanger als haar moeder haar mee uit wandelen neemt. „Ze zei: ‘Ik kan een baby erbij niet aan. Het is beter dat je het afstaat.”

Trudy Scheele wordt zwanger in een tijd waarin „het sentiment van de Dolle Mina’s’ door begint te dringen”. Scheele lacht. „De manier waarop mijn vriendinnen en ik over seks spraken lijkt heel erg op hoe dat tegenwoordig gebeurt. Als maagd het huwelijk in gaan, vonden wij gestoord.”

De generatie bóven de vrije twintigers zag dat heel anders. Het gezin waarin Trudy Scheele opgroeit heeft een tuindersbedrijf. Ze verbouwen groenten en fruit en verkopen hun producten aan particulieren en via veilingen. Zou de buurt hun inkopen nog wel doen bij de familie, als bleek dat hun dochter zwanger was? „Ze zouden worden verstoten uit de gemeenschap.”

In het najaar van 1967 stuurt Scheeles moeder haar naar de Paula Stichting in Oosterbeek, een tehuis voor ongehuwde moeders. Daar kan haar buik boller worden zonder dat de buren het zien. Aan het bestuur van het tehuis stuurt ze brieven waarin ze erop aandringt dat Scheele haar kind afstaat. Zelf is Trudy Scheele er nog steeds van overtuigd dat ze haar kind zal opvoeden.

Lees ook: ‘Staat voor het eerst aansprakelijk gesteld voor gedwongen afstaan baby’

„In dat tehuis heerste totale eenzaamheid”, zegt Scheele nu. Er waren veertien meisjes zoals ik, maar nooit kwam er iemand op bezoek. „Mijn moeder kwam niet, mijn familie kwam niet, niemand kwam.” Scheele vult haar dagen in het tehuis met het breien van babykleertjes. „Ik zat alleen maar kleertjes te maken. Op mijn kamer, in de gemeenschappelijke ruimte. Het was fanatisme.”

Van de non die de groep van Scheele begeleidt, krijgt ze geen hoogte. „Als we gingen eten liep ze rondjes om de tafel.” Waarom, vraagt ze zich af. „Keek ze of wij te veel plakken kaas of worst pakten, of wilde ze er juist voor zorgen dat wij voldoende aten?” Was ze voor of tegen ons, vraagt Scheele zich af.

‘Het is een jongen’

Haar zoon wordt geboren op 15 februari 1968, het jaar waarin overal ter wereld jongeren demonstreren voor vrijheid maar vooral tegen de opvattingen van vorige generaties. In het tehuis is van die progressieve buitenwereld niets te merken. „De navelstreng werd doorgeknipt. ‘Het is een jongen’, zei de non. En toen werd mijn zoon weggehaald.” Scheele wil hem zien. „‘Misschien ergens in de aankomende dagen’, zei de non.” Geleidelijk krijgt Scheele het gevoel dat ze haar kind kwijtraakt. In de tien dagen die ze nog in het tehuis doorbrengt, wordt haar zoon één keer bij haar gebracht. „De non bleef naast mijn bed staan. Ik moest hem gauw weer teruggeven.”

Hoewel Scheele in januari 1968 tegen een maatschappelijk werkster zegt dat ze haar kind wil houden, wordt ze in maart zonder haar expliciete toestemming uit de ouderlijke macht gezet. Wat er in de tussentijd is gebeurd? „Ik weet het niet. Je kunt je kind niet meenemen, werd mij elke keer verteld. En dat was ten dele waar. Ik had geen huis voor ons.”

In de eerste tijd bezoekt Scheele haar zoon nog in het tehuis. Ze probeert een eigen woning te vinden, maar dat lukt niet. Als haar zoon bijna drie is, wordt hij in een pleeggezin geplaatst, een jong stel dat zelf geen kinderen kan krijgen. In 1974 heeft Scheele de akte van berusting getekend en was haar zoon voor de wet niet meer haar zoon. „Het was duidelijk geworden dat ik hem niet mee zou krijgen. Opgroeien in een opvanghuis zou niet goed voor hem zijn. Het was een salomonsoordeel.” Ze ontmoet het stel in een kaal café op Utrecht Centraal, maar krijgt hun namen of verblijfplaats niet te horen.

De afgelopen jaren worden bij de binnenlandse adopties, zoals die na de invoering van een nieuwe adoptiewet in 1956 werden uitgevoerd, vraagtekens gezet. In het najaar van 2015 besloot toenmalig minister van Veiligheid en Justitie Ard van der Steur tot een verkennend onderzoek naar de „de afstandspraktijk”. Het rapport dat in 2017 verscheen, concludeert dat de jaren zeventig in veel opzichten „een scharnierpunt in de Nederlandse geschiedenis” waren. De samenleving is daarna met heel andere ogen gaan kijken naar de wijze waarop ongehuwde moeders door artsen, maatschappelijk werkers en de overheid zijn behandeld. „Vrouwen die destijds onder moeilijke omstandigheden hun kind hebben afgestaan, moeten niet alleen leven met de herinnering daaraan, maar voelen ook dat hun leven heel anders had kunnen verlopen als ze nú in dezelfde situatie waren beland. Ze raakten, zo concludeert het rapport, „beklemd in de scharnieren van de tijd”. Als in 1984 de adoptiewet wordt aangepast, hebben zo’n 13.000 moeders afstand gedaan van hun baby.

Het kwaad zit in het systeem

Het gevoel dat haar iets is aangedaan knaagde al jaren aan Scheele. Maar nadat ze haar dochter heeft ingelicht, en het ook met de rest van haar gezin heeft besproken, groeit de verontwaardiging. Haar zoon ontmoet ze voor het eerst in de zomer van 2018. Vanwege zijn opvallende voornaam, die ze zelf mocht verzinnen, is hij makkelijk te vinden. Al jaren volgde ze hem op sociale media. „Maar ik wilde zijn gezin niet verstoren.” Op aandringen van haar dochter zoekt ze contact. „Afgelopen zomer is hij hier geweest met zijn hele gezin.” Daarna stuurt hij een mail. In de bijlage een foto van een door Scheele gebreid babyvestje. „‘Dit wil ik je niet onthouden’, schreef hij.”

Lees ook: Het onderzoek naar misstanden bij binnenlandse adopties

Begin dit jaar krijgt ze toegang tot haar dossier van de kinderbescherming, dat is opgeborgen in een archief in Arnhem. „Daarin las ik voor het eerst dat mijn zoon heel ziek is geweest. Toen hij drie maanden was, schreef de psycholoog in een rapport dat hij wegkwijnde en dat hij leed aan heimwee naar zijn moeder.” Hij kreeg kalmeringsdruppels, had voedingsstoornissen en groeide slecht. Scheele is „in alle staten”. Waarom hebben ze haar destijds niet verteld dat haar zoon er zo slecht aan toe was?

Ze moet meer doen, besluit ze na het lezen van het dossier. Scheele schrijft in januari 2019 al een brief met een persoonlijk relaas aan minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker, en zoekt een paar maanden later ook contact met een advocaat. Wat kan ze nog meer doen? Ze gaan de staat aanklagen. Eind november stuurt minister Dekker een brief terug. „Hij schrijft dat hij er niet vanuit kan gaan dat hulpverleners in die tijd kwade zin hadden”, zegt Scheele. „Maar die hulpverleners stel ik ook niet aansprakelijk.” Het kwaad zit in het systeem, denkt Scheele, dat vrouwen zonder man niet als volwaardig zag. In mijn dossier las ik ook dat ik ‘verbitterd’ was. Dat ben ik nog steeds. En dat gaat pas over als het systeem van toen een schop onder de kont krijgt.”