Achter Leidse wetenschapsfraude schuilt verziekte werksfeer en angstcultuur

Wetenschap Achter de recente wetenschapsfraude bij de Leidse afdeling psychologie schuilen een verziekte werksfeer en een angstcultuur. Waar komt die vandaan? „Dit gebeurt óveral. Op elke faculteit zit wel een clubje waarin iemand zichzelf te veel macht toe-eigent.”

Illustraties Sebe Emmelot

‘Ik zat met buikpijn achter mijn bureau. Binnen onze sectie ging van alles verkeerd, maar niemand durfde iets te zeggen uit angst voor repercussies.”

Dat zegt een van de anonieme getuigen tegen NRC naar aanleiding van de wetenschappelijke integriteitszaak rond psycholoog Lorenza Colzato, tot 2017 universitair docent aan de Universiteit Leiden. Ze liet onder meer data weg uit wetenschappelijke artikelen en verzuimde toestemming voor haar onderzoeken af te wachten, bleek recent uit een rapport van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de universiteit. Achter deze zaak gaat meer schuil: een cultuur waarbinnen niemand durft op te treden tegen misstanden. Een cultuur – en dat is niet uniek voor de Universiteit Leiden – waarbinnen hoogleraren een onaantastbare sterrenstatus hebben en andere onderzoekers van hen afhankelijk zijn.

Behalve de drie klokkenluiders, die vorige week in de openbaarheid traden, durven weinig betrokkenen zich uit te spreken over wat er precies speelde binnen het psychologie-instituut, waar ongeveer 350 mensen werken. De angst dat het hun carrière zal schaden is groot. Anonieme getuigenissen van verschillende kanten bevestigen echter het beeld van een verziekte werksfeer, waarin de overschrijdingen van wetenschappelijke normen konden plaatsvinden.

De problemen ontstaan al voordat de wetenschappelijke integriteit in het geding komt. Rond de eeuwwisseling wordt de Duitse psycholoog Bernhard Hommel naar Leiden gehaald om daar de afdeling cognitieve psychologie te leiden. Hij neemt zijn vrouw, Lorenza Colzato, mee. De twee kennen elkaar van het Max-Planck-Instituut in München. „Toen we naar Nederland kwamen was het gemakkelijk te regelen dat zij in mijn onderzoeksgroep kwam”, zei Hommel in een interview uit 2005 met universiteitsblad Mare: „Ik werd gevraagd om hier in Leiden te komen en dan kun je natuurlijk eisen stellen.”

Onder leiding van Hommel begint Colzato in Leiden met een promotieonderzoek. Het proefschrift bestaat uit vijf hoofdstukken die allemaal verschijnen als artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, telkens met Hommel als co-auteur. Maar hoewel Hommel feitelijk haar dagelijks begeleider is, treedt hij bij de promotie van Colzato in 2005 niet op als promotor en zit hij ook niet in de promotiecommissie. Emeritus hoogleraar Lex van der Heijden neemt die rol op zich, vertelt hij aan de telefoon: „Hommel had de decaan gevraagd om een andere promotor aan te stellen. Hij had daar zo zijn redenen voor: hij was net met Colzato getrouwd.” Co-promotor Gezinus Wolters bevestigt dat hij en Van der Heijden inhoudelijk geen bemoeienis met de promotie hadden. Maar, zegt Wolters: „Het is niet ongebruikelijk dat om praktische of formele redenen niet de dagelijks begeleider, maar andere collega’s als promotor of co-promotor optreden.”

Na de promotie van Colzato in 2005 blijven de twee veel samen publiceren. Bij driekwart van de ruim 160 wetenschappelijke artikelen die Colzato tijdens haar Leidse loopbaan produceert, is Hommel co-auteur. Vaak staat hij ook genoemd als laatste auteur, wat volgens wetenschappelijk gebruik betekent dat hij de leiding had over het onderzoek.

Lees ook: Psycholoog Universiteit Leiden schond vele normen

Hommel groeit uit tot een sterhoogleraar die niet alleen veel publiceert, maar ook prestigieuze beurzen binnenhaalt. „Hij publiceerde als een malle”, zegt een betrokkene. „Dat riep hij ook de hele tijd: ‘Ik ben de beste van de afdeling, ik publiceer het meeste!’ Maar iedereen weet: je kúnt niet twintig publicaties per jaar hebben. Dat is gek. Alle alarmbellen hadden moeten afgaan.”

De innige samenwerking tussen Hommel en Colzato leidt tot spanningen op de afdeling: wie kritiek uit of vragen stelt, krijgt niet alleen problemen met Colzato, maar ook met haar man, die volgens betrokkenen „op een intimiderende en vernederende manier kon optreden”.

„Dat is nooit gebeurd”, zegt Hommel. Hij doet de kritiek af als „pure laster”. „Tegen anonieme bronnen en hearsay zonder enkel bewijs valt er moeilijk iets te zeggen”, zegt hij. „Ik heb nu 370 papers gepubliceerd. Andere onderzoekers van mijn leeftijd hebben er veel meer.”

Niet iedereen in de vakgroep ondervindt er evenveel last van, maar toch ontstaat, stukje bij beetje, een cultuur waarin mensen niet meer openlijk kritiek durven te uiten. Zelfs niet als langzaam duidelijk wordt dat Colzato het niet altijd zo nauw neemt met de wetenschappelijke mores.

Verhalen over de onveilige werksfeer bij psychologie bereiken ook mensen buiten het instituut. Bart van der Steen, lid van de universiteitsraad en universitair docent bij geschiedenis, hoorde er twee jaar geleden over. „Ik kreeg signalen over problemen bij psychologie. Er kwamen klachten binnen bij de vertrouwenspersoon en er werden meldingen gedaan bij het instituut. Maar het was moeilijk om ertegen op te treden, omdat mensen bang waren. Het voelde als zwemmen in stroop. Het college van bestuur zei voortdurend: we hebben de zaak onder controle. Maar er veranderde vervolgens niets.”

Zijn voorganger Joost Augusteijn bevestigt dit. „Als ik het mij goed herinner, hoorde ik er zes jaar geleden al over. Medewerkers voelden zich niet veilig op de afdeling. Er werd melding gedaan van schreeuwen naar ondergeschikten. Mensen werden beperkt in hun mogelijkheden om hun werk goed te doen.”

Alarmerende signalen

Pas na een melding van wetenschapsfraude in december 2018 grijpt het faculteitsbestuur in, en laat het de Commissie Wetenschappelijke Integriteit de zaak onderzoeken. Tegelijkertijd wordt er een onderzoek uitgevoerd naar het werkklimaat op de afdeling.

„Dat onderzoek loopt nog”, zegt Paul Wouters, sinds begin dit jaar decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen. „Het belangrijkste onderdeel: terugkoppeling en bespreking met de werknemers moet nog plaatsvinden. Naar verwachting gebeurt dit in de komende maanden.”

Volgens Wouters waren „alarmerende signalen” uit het jaarverslag van de facultaire vertrouwenspersoon over 2018 aanleiding voor het onderzoek naar het werkklimaat. Dat stond los van het integriteitsonderzoek, zegt Wouters. „Maar achteraf blijken beide toch flink verweven. De klagers durfden het jarenlang niet aan om misstanden te melden.”

De discussie moet daarom niet gaan over mensen, maar over structuren, vindt Bart van der Steen. „Alles wordt nu gegooid op het manipuleren van data door één persoon. Maar waar data worden gemanipuleerd worden ook mensen gemanipuleerd. De vraag is hoe dat kon gebeuren en wat men nu gaat doen om de werksfeer te verbeteren.”

Ook Augusteijn denkt dat de verstoorde verhoudingen niet alleen Colzato aan te rekenen zijn: „Zij kwam binnen als jonge promovenda en kon niet in haar eentje een heel werkklimaat verstieren. Het zijn mensen die destijds wél de macht hadden die het klimaat verziekt hebben of hebben toegestaan dat het verziekt raakte.”

Lees ook: Leidse klokkenluiders: ‘Je leert heel snel om je mond te houden’

Een bekend patroon, zegt Serge Horbach, aio aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij doet onderzoek naar wetenschappelijke integriteit en hoe universiteiten daarmee omgaan. Wat er in Leiden gebeurt, zegt hij, is een klassiek voorbeeld van hoe een verziekt werkklimaat wetenschapsfraude faciliteert. „Bij integriteitskwesties is vaker sprake van een angstcultuur waarbinnen mensen elkaar de tent uit vechten. Die twee dingen hangen samen. In een goed werkklimaat durven mensen aan de bel te trekken als iemand zijn data niet goed voor elkaar heeft. Maar in een verziekt werkklimaat is de kans dat iemand iets zegt heel klein. De interne controlemechanismes haperen.”

Een ander onderdeel van dat patroon: het college van bestuur grijpt meestal pas in nadat de wetenschappelijke fraude aan het licht is gekomen. Horbach: „De wetenschappelijke integriteit wordt dan gebruikt als stok om mee te slaan, om het onderliggende conflict uit te vechten. Maar het probleem wordt vaak op één individu afgeschoven, waardoor de mensen daaromheen, die de angstcultuur in stand hielden, buiten schot blijven.”

Schrikbewind

Het is niet de eerste keer dat er sprake is van intimidatie door leidinggevenden aan de Leidse faculteit Sociale Wetenschappen. In 2017 bleek dat drie hoogleraren bij de vakgroep orthopedagogiek een schrikbewind voerden. Ook toen ging dat gepaard met een schending van de wetenschappelijke mores. Hoogleraar Adriana Bus, die getrouwd was met vakgroepleider Rien van IJzendoorn, werd schuldig bevonden aan rommelen met auteursnamen om de kans op succes bij subsidieaanvragen te vergroten. De misstanden waren al twintig jaar aan de gang, maar ook hier durfde niemand aan de bel te trekken.

Judi Mesman, decaan van Leiden University College, was destijds directeur bij pedagogiek. „Ik liep er keihard tegenaan. Angstcultuur, intimidatie: het speelde daar al een hele tijd. Ik heb geprobeerd om het aan te pakken. Maar al was ik tien keer directeur: het lukte me niet, omdat niemand openlijk kritiek durfde te uiten. Toen heb ik mijn functie neergelegd en ook gezegd waarom: door een onveilig werkklimaat waar ik ondanks mijn functie te weinig grip op kon krijgen. Ik dacht: dit gaat niet door on my watch. Je bent als bestuurder eigenlijk medeplichtig als je dit weet en het laat gebeuren.”

Twee vergelijkbare gevallen in zo’n korte tijd, is er iets grondig mis in Leiden? Rector magnificus Carel Stolker draait het liever om: we zijn blij met deze nieuwe melding, zegt hij in een schriftelijke reactie. „Hoe makkelijker mensen misstanden melden des te beter. De nieuwe casus bij psychologie gaat met name over schendingen van de wetenschappelijke integriteit. Wel is het zo dat klagers aanvankelijk beschroomd waren zaken die niet door de beugel konden direct te melden.”

Mesman kijkt met gemengde gevoelens naar de gebeurtenissen bij psychologie. „Dat dit nu weer in Leiden aan het licht is gekomen, is naar, maar ik zie het ook als iets positiefs: blijkbaar zijn we beter in staat om zaken die niet deugen bloot te leggen.” Bovendien, stelt ze: „Dit is geen Leids probleem. Dit gebeurt óveral. Op elke universiteit, op élke faculteit zelfs, zit wel zo’n clubje waarin iemand zichzelf net iets te veel macht toe-eigent. Met daaromheen mensen die er niets van durven zeggen als die macht misbruikt wordt.”

Ruim een op de drie universiteitsmedewerkers voelt zich regelmatig onveilig op het werk, bleek eerder dit jaar uit onderzoek van vakbond FNV onder 1.100 mensen. Als belangrijkste reden daarvoor noemden ze slecht leiderschap.

De universiteit is dan ook de ideale broedplaats voor sociale onveiligheid: jonge onderzoekers zijn voor hun carrière afhankelijk van hun promotor. De wetenschap is bovendien een competitieve werkplek. Succes wordt gemeten in aantallen publicaties en citatiescores. Ook de slaagkans van beursaanvragen hangt daarvan af. De druk om veel en spraakmakend te publiceren is dus hoog. Dat schept haast automatisch een klimaat van onderlinge competitie en scoringsdrift. En daarmee wordt de verleiding groter bochten af te snijden en de ellebogen te gebruiken.

Afhankelijke jonge onderzoekers

„Het is een plek waar heel gemakkelijk ongezonde hiërarchieën ontstaan”, zegt Bart van der Steen. „Hoogleraren krijgen grote sommen geld en nemen daarmee jonge onderzoekers aan die van hen afhankelijk zijn. Telkens als er een kwestie opduikt van een hoogleraar die zijn macht misbruikt, is dit een grondoorzaak.”

Bart van der Steen en Joost Augusteijn pleiten in de Leidse universiteitsraad al jarenlang voor het aanstellen van een onafhankelijke ombudsfunctionaris. „In tegenstelling tot een vertrouwenspersoon heeft een ombudsfunctionaris het recht om zelf onderzoek te doen naar misstanden”, zegt Augusteijn. „Maar de universiteit wilde daar tot nu toe niet aan.” Rector magnificus Stolker: „Met de universiteitsraad is afgesproken dat we de resultaten van een pilot met ombudsfunctionarissen bij een aantal Nederlandse universiteiten afwachten, en dan een beslissing nemen. Als zo’n functionaris iets toevoegt, dan zullen we zo iemand uiteraard benoemen.”

De vereniging van universiteiten VSNU lanceerde eerder dit jaar het plan om wetenschappers anders te beoordelen. „De focus ligt nu vooral op het binnenhalen van geld”, zegt woordvoerder Bart Pierik van de VSNU. „Wetenschappers die de beurzen binnenhalen, zijn de grote sterren en hebben daardoor veel macht. Maar hebben ze ook de capaciteit om goed met die macht om te gaan?”

Door ook andere capaciteiten te belonen – is iemand een goede leidinggevende, bijvoorbeeld? – wil de VSNU die eenzijdige macht doorbreken. Pierik: „Er zijn meer routes naar de top. Meer soorten sterren.”

‘Weerspiegeling van calvinisme’

De zaak-Colzato is nog niet afgedaan. Colzato, inmiddels hoogleraar cognitieve psychologie aan de Ruhr-Universität in Bochum, wil het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit om een second opinion vragen. Hommel ziet de samenwerking met zijn vrouw niet als een probleem, zegt hij desgevraagd. „Eerder als voordeel.” Hommel: „Ik ken heel veel koppels in mijn vakgebied die op dezelfde plek werken. Dit werkt normaliter gezien als motivationeel voordeel en een factor die het commitment van de betrokkenen met de universiteit verhoogt. Het is alleen in Nederland dat men zo gek daarover doet, en vooral in Leiden sinds Stolker rector is. Wat mij betreft is dit een weerspiegeling van het blijkbaar nog steeds aanwezige calvinisme in dit land.”

Van onregelmatigheden binnen Colzato’s groep had Hommel tot het begin van het integriteitsonderzoek nooit gehoord, zegt hij. „De stemming in de groep van Colzato was buitengewoon goed. .” Dat er uiteindelijk een klacht tegen haar werd ingediend snapt hij niet. „Vandaar dat mijn verbazing groot is dat het nu opeens zo erg was. Eerlijk gezegd geloof ik dat niet.”

Een medewerker zegt: „Hier zijn alleen maar verliezers. Mensen proberen het werk weer op te pakken. Het is afwachten hoe de universiteit schoon schip gaat maken.”

Reageren? onderzoek@nrc.nl.