‘Wij zijn de laatste bakker van het dorp’

Spitsuur Pierre en Monique Nuyens komen beiden uit een bakkersgezin en hebben ook zelf jarenlang een bakkerij gehad. Daar gaan ze nu mee ophouden. „Pierre is 65, we zijn bezig met de toekomst.”

Foto’s David Galjaard

Pierre: „Eerst begin ik met het klein brood – het worstenbrood, de krentenbollen. Overdag maak ik het groot brood, dat gaat ’s nachts de rijskast in en als ik dan ’s ochtends om vijf uur beneden kom, is het zo goed als gerezen. Dan hoeft het alleen nog de oven in.”

Monique: „Ik sta elke dag om zes uur op en bak het banket af: de appelflappen en saucijzenbroodjes.”

Pierre: „Zaterdag is met afstand de drukste dag. Vanaf vrijdagavond werk ik dan de hele nacht door tot in de ochtend.”

Monique: „Van kleins af aan hebben wij al zo’n ritme. Pierres vader was bakker, bij ons thuis waren ze banketbakkers. Loondienst – van acht tot vijf werken en zes weken vakantie – wij weten niet hoe dat is.”

Pierre: „Als we op vakantie gaan, sluiten we ook nooit een hele week.”

Monique: „Dan gaan we bijvoorbeeld fietsen langs het IJsselmeer en is de winkel in het weekend en het begin van de week dicht. Maar ook doordeweeks zorgen we goed voor onze ontspanning. Dan gaan we gewoon naar de schouwburg of de film.”

Pierre: „Dan slapen we maar iets korter.”

Samen de kroeg in

Pierre: „We kennen elkaar al heel lang.”

Monique: „Wij lagen in elkaars wieg.”

Pierre: „Onze ouders waren vrienden, onze vaders kwamen allebei uit Oirschot. Mijn opa had er een bakkerij, die mijn oom overnam. De andere kinderen moesten maar iets anders zoeken. De een ging naar Sint Anthonis, de ander naar Tilburg. Mijn vader kwam in Zevenbergschen Hoek, Moniques vader hier vlakbij in Breda.”

Monique: „Van hier naar Oirschot was toen een heel eind.”

Pierre: „Omdat onze vaders in verhouding dicht bij elkaar woonden, hebben ze de vriendschap aangehaald. Bij Moniques geboorte ging mijn wieg naar haar ouders en lag zij erin.”

Monique: „Zo ging dat vroeger, alles werd uitgewisseld.”

Pierre: „En van het een kwam het ander.”

Monique: „Als kind was het bij elkaar logeren. Later gingen we samen de kroeg in.”

Pierre: „Eigenlijk ging ik naar de havo om accountant te worden, maar ik had het niet zo naar mijn zin. Mijn vader zei: ‘zou je niet eens kijken naar een vakopleiding?’. Bij de bakkersvakschool kon ik gelijk komen.”

Monique: „Pierre heeft vier broers, maar die hadden geen interesse in de bakkerij.”

Pierre: „Eerst ben ik samen met mijn vader een bedrijf begonnen, iets verderop in het dorp van waar hij zijn bakkerij had. Op een gegeven moment kreeg hij een hartinfarct en stond ik er alleen voor. Toen heb ik de oude bakkerij van mijn vader, waar hij in 1946 is begonnen, in ere hersteld.”

Monique: „Mijn broer heeft de zaak bij ons thuis overgenomen en ik heb een opleiding tot verpleegster gedaan. Toen wij trouwden, kwam ik hier werken. Het was zo vanzelfsprekend, het ging bijna automatisch.”

Pierre: „Zeventig jaar geleden zaten hier in het dorp zes bakkers en mijn vader kwam er als zevende bij. Op 1.800 inwoners.”

Monique: „Niemand ging weg voor boodschappen.”

Pierre: „Vroeger, als je het dorp binnenkwam, had je bij bijna elke deur iets van middenstand. Twee slagers, zeven bakkers, een klompenmaker, een paar loodgieters, vier cafés en twee fietsenmakers.”

Monique: „En die hadden allemaal te eten en te drinken. Dat is nu voorbij. Wij zijn de laatste bakker. Iedereen heeft z’n auto voor boodschappen, webwinkelen is erbij gekomen. Gelukkig hebben we nog veel vaste klanten.”

Pierre: „Het dorp ligt op een doorgaande route, dus we moeten ook veel van de weg hebben. Afgelopen jaar lag de hoofdstraat open door werkzaamheden. Wij hebben toen zo’n 30.000 euro omzet gemist.”

Monique: „Maar we durven gerust te zeggen dat we ook een dorpsfunctie hebben. Het is dat buurtpraatje. Dingen als: ‘god, hoe is ’t’, of ‘hoe is het met je man, hoe was het in het ziekenhuis?’ Dat soort dingen. De belangstelling in mensen.”

Pierre: „Monique kan goed gezichten onthouden.”

Monique: „Iedereen in het dorp kent ons ook wel.”

Pierre: „Vroeger was dat al zo. Als wij als kinderen iets hadden uitgevreten – bij de kerk of op het voetbalveld – dan wist mijn moeder het al voordat wij thuis waren. Mijn moeder zei altijd: ‘ik heb zo mijn spionnen en als ze vertellen wat jullie doen, krijgen ze een half pond koekjes’.”

Monique: „Ik ben er ook wel aan gewend. Mijn moeder heeft tot haar 86ste in de winkel gestaan, zeven dagen per week. Nu, zes jaar later, loop ik met haar door Breda en nog altijd herkennen mensen haar.”

Bezig met de toekomst

Pierre: „Geen van onze drie kinderen heeft interesse om de bakkerij over te nemen. De oudste woont op Saba en heeft met haar man een hotel, de tweede zit in de geestelijke gezondheidszorg als intermediair en de jongste is fysiotherapeut.”

Monique: „Wel allemaal in de dienstverlening.”

Pierre: „Die klap hebben ze meegekregen.”

Monique: „Pierre is 65, we zijn bezig met de toekomst. Vroeger zat tussen de bakkerij en het huis een doorgang. Die hebben we dichtgemetseld.”

Pierre: „We blijven hier wonen, maar de bakkerij ga ik proberen te verkopen. Dertig jaar geleden hebben we van twee huizen één gemaakt en nu gaan we het weer omdraaien.”

Monique: „Het is een logische beslissing, de circle of life. We groeien er naartoe. Ik moet wel zeggen: ik zal het gaan missen. Je moet het leven toch weer richting geven. Maar het gaat hoe dan ook goed komen.”