Waarom praat papa over zichzelf in de derde persoon?

‘Zal papa eens een banaantje pellen voor Pietje?’ Dat praten in derde persoon doen veel ouders bijna automatisch, maar waarom eigenlijk?

De oplettende lezer kan ze bijna overal horen: mensen die over zichzelf in de derde persoon praten als ze in gesprek zijn met een klein kind. „Zal papa eens een banaantje voor Eva halen?”, dat soort werk. De lezer doet het mogelijk ook zelf, en misschien zelfs ongemerkt. Waardoor verandert in dat type conversaties het normale ’ik’ zo gemakkelijk in de derdepersoonsvorm?

„Wat denk je zelf?”, antwoordt Paula Fikkert, hoogleraar taalverwerving aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Misschien doordat kleine kinderen anders in de war raken omdat ‘ik’ en ‘jij’ in een conversatie telkens een ander persoon aanduiden? „Precies!”, zet Fikkert de conversatie voort. „Kleine kinderen praten zelf ook zo. ‘Pietje ook appel’, zegt Pietje dan.” De snelle wisseling van de betekenis van de voornaamwoorden tijdens een gesprek is voor het jonge brein veel te moeilijk. „Om dat spel te snappen moeten kinderen begrijpen dat je vanuit een ander perspectief de wereld anders bekijkt. Mijn ik is jouw jij. Dat besef begint rond het derde levensjaar en is redelijk gevestigd rond de vijfde verjaardag. Daarover zijn heel veel theory-of-mind-experimenten gedaan. Dan wordt gekeken of kinderen beseffen dat een ander soms iets niet kan weten wat zijzelf wel hebben gezien. Je ziet het komen als kinderen gaan begrijpen dat het bij verstoppertje spelen echt geen zin heeft om je verstoppen achter halflange gordijnen. Zelf zie je niks, maar de ander ziet natuurlijk direct jouw benen.”

Het opmerkelijke is dat volwassenen met hun derdepersoonpraat haast van nature rekening lijken te houden met dat perspectivisch onvermogen van kleine kinderen. Zelfs tegen pasgeboren kinderen wordt het toegepast – hoewel die uit taal niet veel meer dan ritme en losse klanken oppikken. Fikkert: „Dat is een fascinerend aspect, die kindgerichtheid. Zó praat je dus tegen kleine kinderen, maar veel mensen gebruiken deze vereenvoudigde taal net zo gemakkelijk tegen hun huisdier, en zelfs tegen buitenlanders die slecht Nederlands spreken. Het voelt heel natuurlijk kennelijk.”

Eis van duidelijkheid

In feite valt het derdepersoonpraten onder de eis van duidelijkheid van de vier klassiek conversatieregels van de Britse filosoof en logicus Paul Grice (1913-1988), zo vertelt Fikkert. „In een gesprek probeer je automatisch zo duidelijk te spreken als nodig is. Net zoals dat je alleen ‘het’ of ‘zij’ kunt gebruiken als je dat ding of die persoon al een keer genoemd hebt.” Andere grondregels van het menselijke gesprek die Grice formuleerde zijn de plicht waarheid te spreken en de plicht om genoeg informatie te geven (maar ook niet te veel). De vierde is de relevantie-eis: wat je zegt moet slaan op het onderwerp waar het gesprek over gaat. Logisch allemaal, maar kennelijk worden die regels zelfs toegepast als een ouder een onmondig kind toespreekt.

En dat roept weer de vraag op of juist vaders in vroeger tijd, toen vaderlijke zorgtaken niet erg vanzelfsprekend waren, ook al zo hun baby’s zouden hebben toegesproken. Hield die autoritaire en afstandelijke vader ook al onbewust rekening met Grice’ regels? „Nu doet de vader dat zeker”, zegt Fikkert. „Hoe dat vroeger was, weten we niet. Veelzeggend genoeg werden vroeger alleen maar de moeders opgenomen in onderzoek van kindertaal. Wat we overigens nu wel zien is dat vaders tegen hun kinderen complexere taal gebruiken dan de moeders. We denken dat het belangrijk is dat vaders én moeders veel praten met hun kinderen. De combinatie is goed.”