Opinie

NederlandseChurchills

Frits Abrahams

‘Wat zit je allemaal te schrijven? Toch niet aan je minnaar?” vroeg ik mijn vrouw. Ze liet zich niet afleiden en bleef doen wat ze al dagen deed: koortsachtig doorschrijven. Ik was misschien in een iets te jolige bui, want ik had net in de Volkskrant een interview met de FVD-professor Paul Cliteur gelezen, waarin hij zegt: „Nederlandse politici moeten Churchills zijn, geen Chamberlains. Wilders en Baudet zijn Churchills. Veel mensen buigen mee, die gooien het op een akkoordje met geweldplegers.”

„Ik schrijf voor Amnesty International”, zei mijn vrouw tussen twee regels door.

„Amnesty”, hoonde ik, „dat zou Cliteur wel érg politiek correct vinden, typisch iets voor de vrouw van een NRC-columnist. Hij verlangt naar strijdbare Churchills en goddank hebben we die al in huis. Laat de barbaren maar komen. I have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat!”

Ze haalde haar schouders op. „Je mag wel méé schrijven”, zei ze. Hoorde ik een ondertoon van kritiek? Ik las over haar schouder mee. Ze was net bezig met Xi Jinping de mantel uit te vegen. „Dear President Xi, I urge you to release Yiliyasijiang Reheman immediately and unconditionally and return him to his family. He has done nothing wrong.” Daar kon de ‘president of the People’s Republic of China’, woonachtig te Xichengqu, Beijing Shi 1000017, het voorlopig mee doen.

De 26-jarige Reheman is een Oeigoer die met zijn vrouw in Egypte studeerde, maar daar op verzoek van China met honderden andere Oeigoeren werd opgepakt en teruggestuurd. Zijn vrouw vermoedt dat hij in de provincie Xinjiang in een geheim heropvoedingskamp zit.

De Chinese regering zou 1 miljoen Oeigoeren in zulke kampen hebben opgesloten. Wordt het geen tijd dat de stoutmoedige Nederlandse Churchills er bij Xi Jinping op aandringen die mensen vrij te laten, de radicale geweldplegers onder hen uitgezonderd? Nee, want de Oeigoeren zijn een overwegend islamitisch volk en daarvoor geldt nu eenmaal: „Minder… minder.”

„Zou zo’n briefje aan president Xi werkelijk helpen?” vroeg ik sceptisch. Ik zag Xi al bij het ontbijt naar de herkomst van de enveloppe kijken en hoorde hem tegen zijn vrouw roepen: „Laten ze in Amsterdam eerst eens hun eigen problemen oplossen!”

„Als het er maar genoeg zijn”, zei mijn vrouw. Ze wees op een citaat van Amnesty: „Een lawine aan brieven maakt indruk en dwingt wetshandhavers om hen eerlijker te behandelen. Want niemand wil bekendstaan als onderdrukker, folteraar of tiran.” 

„Hebben jullie daar ook bewijzen van?”

Ze knikte en liet me een artikel lezen uit Wordt vervolgd, het blad van Amnesty, over advocaat Geraldine Chacón, een 25-jarige mensenrechtenactiviste uit Venezuela. Chacón werd begin 2018 ’s nachts van haar bed gelicht en gevangen gezet. Duizenden mensen schreven namens Amnesty een brief en vijf maanden later kwam ze met een collega vrij. Over haar gevangenschap en de brieven die ze kreeg, zei ze: „Een brief heeft de kracht om van een slechte dag een gelukkige dag te maken.”

„Dus dat moet je óók doen”, lichtte mijn vrouw toe, „een briefje of kaartje naar het slachtoffer.”

Wedden dat de Nederlandse Churchills onder leiding van Cliteur nu onmiddellijk naar de pen grijpen?