Reportage

Nederland is een ideaal wasberenland

De wasbeer rukt op en laat zich moeilijk bestrijden. Maar is dat nodig? Op zoek naar sporen langs de IJssel.

Wasberen in New Jersey, Verenigde Staten.
Wasberen in New Jersey, Verenigde Staten. Foto Getty Images

Zwolle, langs de IJssel

De linkerlaars van Rene Nauta zakt enkeldiep weg in het slib als hij onder het spoorviaduct nabij de IJssel doorloopt. Tussen de betonnen pijlers ligt een poel, en Nauta zet koers naar een hoopje modder in het midden ervan. „De afdruk van een klein kinderhandje met gespreide vingers, daar zoeken we naar.” Hij hurkt neer. „Hier zie ik alleen de pootafdrukken van vos en ree.” Het is geen écht kinderhandje waar we naar op zoek zijn. Maar in Het Prentenboek – het diersporenboek dat Nauta samen met Aaldrik Pot schreef – is de overeenkomst duidelijk te zien: de poten van een wasbeer hebben opvallend lange, gespreide tenen, net als mollige kindervingertjes. „Geen enkel ander dier heeft zulke poten”, zegt Nauta boven het geraas van een trein uit.

Wasberen in Nederland: het klinkt exotisch. Toch komen er vanuit Duitsland al zeker zo’n twintig jaar af en toe dieren de grens over. Van nature komt de soort voor in Midden- en Noord-Amerika, maar in de jaren dertig van de vorige eeuw werd hij ingevoerd in Europa, voor het bont. Vooral in Duitsland zijn er nu grote aantallen in het wild levende wasberen, die worden beschouwd als jachtwild: alleen al het afgelopen jachtseizoen werden zo’n 170.000 exemplaren afgeschoten. In Limburg nam het aantal wasbeerwaarnemingen toe van 1 in 2014 tot 28 in 2018. Ook in Gelderland, Drenthe, Noord-Brabant en Overijssel worden soms wasberen gezien. En daar is niet iedereen blij mee. De wasbeer zou, als invasieve exoot, een bedreiging kunnen vormen voor inheemse dieren en ziektes kunnen overbrengen, zeggen tegenstanders van de wasbeer. Vooralsnog lijkt het pleit dan ook beslecht in het nadeel van de soort. Al in 2014 besloot de Europese Unie dat de wasbeer bestreden moet worden. Hoe dat gebeurt en in welke mate mag elke lidstaat in principe zelf invullen. In Nederland zijn de provincies verantwoordelijk voor de uitvoering van de richtlijn Invasieve Exoten. In Limburg en Noord-Brabant wordt de wasbeer al actief bejaagd en in november besloot ook Gelderland om de wasberen in de provincie af te schieten. Maar: hoe schadelijk is de wasbeer?

Utrecht, landgoed Oostbroek

Het pad ligt met herfstbladeren bezaaid, maar ecoloog en roofdieronderzoeker Jaap Mulder let niet op de grond. Hij speurt de boomstammen af, op zoek naar holen waar zich in de toekomst eventueel wasberen zouden kunnen vestigen. „Over tien, vijftien jaar verwacht ik dat ze hier net zo normaal zijn als dassen en reeën. Dan zien we de wasbeer gewoon als onderdeel van het Nederlandse landschap.” Mulder schreef eind oktober een opiniestuk in NRC waarin hij betoogde dat bestrijden van de wasbeer niet nodig is en niet effectief is. We zullen aan ze moeten wennen. „Hij kan zelfs een bondgenoot worden in de strijd tegen de Amerikaanse rivierkreeft. Wasberen zijn alleseters, maar ze zijn bijzonder gek op kreeft.” Mulder blijft staan bij de oever van een beekje. „In het donker gaan ze op zoek naar voedsel, vaak in de buurt van water. Met hun pootjes tasten ze dan naar kikkers, slakken, vissen... Aan die wassende beweging hebben ze hun naam ook te danken.”

Overdag rusten de wasberen – bijvoorbeeld in een schuurtje, of in een holle boom. De beukenbomen op Oostbroek zijn te glad voor de wasbeer om in te klimmen, zegt Mulder. „Daar vinden ze zelfs met hun scherpe nagels geen houvast op. Maar zo’n eik verderop zou prima dienstdoen als slaapplek.”

Een van de redenen dat de wasbeer zich moeilijk laat bestrijden is zijn onopvallende leefstijl: overdag laat hij zichzelf niet zien, en ’s nachts scharrelt hij geruisloos rond – alleen bij gevaar laat hij soms een schelle kreet horen. Met zijn grijze vacht en geringe grootte (zo’n halve meter lang, exclusief staart) valt hij nauwelijks op. De keren dát er in Nederland een wasbeer wordt gezien, gaat het vaak om een aangereden exemplaar. In de winter zijn wasberen veel minder actief dan normaal. Wel onderbreken ze die rustperiode om een partner te zoeken: een mannetje loopt dagenlang achter een vrouwtje aan, tot ze hem toestaat om te paren. In april of mei worden de jongen geboren, meestal vier of vijf per worp. Mulder: „In het wild kunnen wasberen zo’n tien jaar oud worden. Over het algemeen leven ze solitair, maar als er veel voedsel beschikbaar is, trekken ze op in kleine groepen. Dan zorgen ze ook sneller voor overlast.” Hij wijst naar een woning op het landgoed. „Een kippenhok kan een wasbeer met die handige vingertjes zó openmaken – veel vingervlugger dan een vos.”

Zwolle, langs de IJssel

Nauta loopt langs een van de betonnen pijlers, volgespoten met graffiti. Op de grond ligt een lege spuitbus, de modder staat hier vol afdrukken van schoenzolen. „Wasberen leven graag dicht bij mensen. Hier vlakbij is Het Engelse Werk, een stadspark. Voor zo’n dier is dat luilekkerland: afvalbakken en ondiep water in overvloed.” Verderop verdwijnt een paadje de struiken in. „Dat ziet eruit als een wildwissel. Gemaakt door bevers die in de buurt leven. Als de wasbeer hier heeft rondgelopen, dan heeft hij vrijwel zeker dat paadje genomen. Zo’n dier is liever lui dan moe, en gaat zich niet nodeloos een weg door dicht struikgewas worstelen.” Het paadje loopt door tot aan de oever van de IJssel. Vorig jaar zag Nauta hier vlakbij voor het eerst een wasbeerprent. „Een cursist van de diersporenopleiding die ik geef, wees me erop. In de klei, vlak langs het water. Vorige week vonden we er weer één, tijdens een excursie. Dus het lijkt me aannemelijk dat hier een wasbeer zit.” Met zijn blik op de bodem gericht loopt hij evenwijdig aan de IJssel. Af en toe knielt hij neer. „Hier, aangevreten Amerikaanse rivierkreeften. Maar de knaagsporen zijn te netjes voor een wasbeer. Dit zal het werk van een bruine rat zijn.” Verderop, bij een grijzig hoopje: „Een otter-spraint. Otters plaatsen hun poep graag op een zelfgemaakt heuveltje, zodat ze er duidelijk hun territorium mee kunnen markeren. Ruik maar, de poep heeft een vissige geur.”

Ook wasberen plaatsen hun uitwerpselen op opvallende plaatsen als territoriummarkering, zegt Nauta. „De vorm, kleur en geur van de keutels verschilt – die wordt bepaald door wat ze gegeten hebben. Maar soms heeft het wel wat weg van vossenpoep.” En net zoals vossenpoep moet je wasbeerpoep vooral níét aanraken, benadrukt hij. „In de uitwerpselen kunnen spoelwormeitjes zitten.” Die spoelworm, Baylisascaris procyonis, is een van de redenen dat de wasbeer in Nederland met argusogen in de gaten wordt gehouden. Op wasberen zelf heeft de worm geen groot effect, maar in het menselijk lichaam kan hij zich onder meer in de hersenen vestigen – soms met fatale afloop. Het RIVM waarschuwt dat vooral jonge kinderen in aanraking kunnen komen met de spoelworm, bijvoorbeeld als ze in een zandbak spelen waar een wasbeer in gepoept heeft.

Utrecht, landgoed Oostbroek

Volgens Mulder valt het mee met het infectiegevaar door Baylisascaris procyonis. „In 2016 was de spoelworm aanwezig bij een van de drie Nederlandse wasberen die we onderzochten. In Duitsland is zo’n 70 procent van de wasberen besmet met de worm. Maar een besmette wasbeer hoeft niet per se tot besmetting bij de mens te leiden. In de VS is de laatste 50 jaar slechts een handvol dodelijke incidenten geweest als gevolg van die spoelworm – als je ernaar kijkt hoeveel wasberen daar leven, dan is het risico op besmetting ontzettend klein, en onvoldoende reden om de wasbeer te bestrijden.”

Los van die parasiet speelt nog de vraag in hoeverre de wasbeer een bedreiging vormt voor andere soorten. Mulder: „Als nieuwkomer blijkt hij de andere roofdieren niet te beconcurreren. In theorie zouden bepaalde prooidieren – padden, kikkers, jonge vogels – in aantal achteruit kunnen gaan. Maar in Duitsland is er vooralsnog geen sprake van achteruitgang van zijn prooidieren, met uitzondering van de moerasschildpad in het oosten van het land. Maar die soort komt in Nederland niet voor.” Ook volgens de risico-analyse van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is er in Europa vooralsnog „geen bewijs gevonden dat wasberen een bedreiging vormen voor de soortenrijkdom of voor de aantallen van andere soorten”.

Tegelijkertijd wordt in die analyse de kanttekening gemaakt dat wasberen lokaal een negatief effect kunnen hebben doordat het dier jaagt op bedreigde soorten. Mulder wijst om zich heen. „Op een landgoed als dit kun je als dier alle kanten op. Maar op een eiland kan het uit de hand lopen. In Duitsland hield een wasbeer bijvoorbeeld huis op een eiland met broedende aalscholvers. Hij haalde eieren en kleine jongen uit de nesten. Dat vonden de omwonenden niet zo erg, want die aalscholvers bevonden zich dicht bij een visvijver, maar als het in zulke gevallen om zeldzame soorten gaat, moet je als beheerder misschien wel ingrijpen.”

Dan, na een korte pauze: „Ik ben geen roofdierbeschermer die de ene soort boven de andere verkiest. Ik probeer geen voorkeuren te hebben. Ik houd ook van vossen, maar als het korhoen of de korenwolf wordt bedreigd, dan zeg ik: haal die vos daar maar weg. Zo is het ook met de wasbeer. Als er straks wasberen op de Waddeneilanden verschijnen, dan zeg ik: laten we die met het oog op de vogels roofdiervrij houden. Maar in de rest van Nederland... Wij zijn een ideaal wasberenland: voldoende water, voldoende schuilplaatsen, voldoende voedsel. Zelfs al zouden we alle wasberen die momenteel rondlopen in Nederland uitroeien, dan nog zijn we niet opgewassen tegen de nieuwe instroom vanuit Duitsland. Met die wasberen die wij per jaar gaan schieten sla je geen deuk in een pakje boter. De wasbeer komt deze kant uit, of we nu willen of niet.”

Zwolle, langs de IJssel

„Het verhaal achter een prent, daar gaat het me om”, vertelt Nauta, al wandelend langs het water. „Je kunt praten over wasberenbeleid wat je wilt, maar zo’n dier gaat pas echt leven zodra je zelf die pootafdruk ziet...” Hij staat plotseling stil, op een paar meter van het water, vlak bij een koeienpaadje. In de klei staan hoefafdrukken, her en der ligt ganzenpoep. Maar half vertrappeld door de hoeven is daar dan toch, duidelijk zichtbaar, de afdruk van een klein kinderhandje.