Interview

‘Met de roman zwaaien is mijn taak’

Maxim Februari - winnaar P.C. Hooftprijs Maxim Februari, aan wie deze week de P.C. Hooftprijs werd toegekend, gelooft hartstochtelijk in het belang van de literaire blik.

De dag nadat Maxim Februari de P.C. Hooft-prijs voor beschouwend proza kreeg toegekend, wandelde de essayist, romancier en NRC-columnist door de hoofdstad van afspraak naar afspraak. „Het is december, iedereen moet nog even zijn boodschap kwijt. Eigenlijk zit ik mijn hele leven op een stoel terwijl iedereen tegen mij aan praat. Behalve in interviews, dan zijn de rollen omgedraaid”, zegt Februari in een gesprek aan zijn keukentafel. Buiten hangt de zon laag over Betuwse uiterwaarden. „Ik ben een soort spons. Je haalt dingen op uit de wereld, en daar geef je vervolgens een flinke slinger aan, een vorm. Dat vind ik wel prettig van deze prijs: dat die nadrukkelijk aandacht vraagt voor die vorm en dus voor het literaire aspect van mijn essayistiek.”

Wat Februari nu opvist uit die gesprekken: meer en meer mensen worden vermalen in het systeem. „Denk aan de toeslagenaffaire. De ambtenaren denken dat ze goed werk verrichten omdat ze de regels precies volgen, waardoor ze zelf niet meer na hoeven te denken over de toepassing op het bijzondere geval, en zo worden de levens van gedupeerden ontregeld terwijl ze niets hebben misdaan. Je ziet de morele verantwoordelijkheid in beroepspraktijken verdwijnen. Het geloof in het systeem, in efficiëntie en effectiviteit, aangewakkerd door de techniek, vind ik een zeldzaam groot gevaar.”

Het is ook simpelweg een verlangen naar orde.

„Ja, maar door de automatisering van regels ontstaan nu nieuwe problemen, en die worden onderschat. Je raakt al gauw de rechterlijke toetsing kwijt en ook het gesprek over de rechtvaardigheid van beslissingen. Dus ik wou me maar eens meer gaan richten op die andere kant van de digitalisering: hoe krijgen we de morele gevoeligheid terug in ons werk.”

Daarvoor lijkt ruimte voor een zekere dubbelzinnigheid nodig.

„Daar heb je in feite de literatuur voor nodig. Maar de literatuur, en de kunst, is naar de marge gedreven. Dat hangt natuurlijk samen: omdat we aan het ordenen zijn, hebben we voor de rommeligheid geen aandacht. Dus moet je zorgen dat je die literaire blik, de gevoeligheid voor de individualiteit, terugbrengt naar het midden van de samenleving. Zodat mensen snappen wat leven ook alweer was.”

Lees ook een interview met Maxim Februari bij het verschijnen van 'Klont': Maxim Februari: ‘Het leven is niet goudomrand

Waarom hebben we nu zo weinig geduld voor rommeligheid?

„Technologie is één ding, maar de behoefte aan systematisering wordt des te groter vanwege bevolkingstoename. Als je over luttele decennia tien miljard mensen op deze aarde hebt, wordt het steeds moeilijker om die allemaal als individu te bekijken, om te zeggen: ‘met jouw situatie zullen we een beetje gevoelig omgaan.’ Je zult mensen groepsgewijs moeten aansturen en disciplineren, op basis van profielen en statistieken. Dat wil zeggen dat je het hele idee van mensenrechten, die altijd uit zijn gegaan van het individu, kwijtraakt. Hoe zorg je dan dat de eenling, het individu waar de romanschrijver altijd zo in is geïnteresseerd, daar niet volledig tussenuit valt? Dat wordt de grootste opdracht voor de toekomst.

„Wat ik dan kan doen is met de roman zwaaien in de hoop dat dat iets oplevert. Of je die tien miljard mensen daarmee in het gareel houdt, weet ik ook niet. Toch moet ik dat doen.”

Waarom voelt u die noodzaak?

„Omdat we nog steeds wél individueel lijden. Een paar weken geleden schreef ik een column over de jeugdzorg, naar aanleiding van een documentaire die ik echt gruwelijk vond. Het ging over lastige jongens die volkomen kil en liefdeloos bejegend worden, terwijl die kinderen natuurlijk precies het tegenovergestelde nodig hebben.”

Februari schreef over het kind in die documentaire: ‘Mike zit in de problemen. Er wordt tegen hem gepraat. Hij ziet eruit als een geslagen hond en buiten beeld vertelt een hulpverlenende stem hem in alle redelijkheid nog eens hoe verschrikkelijk hij is. „Eigenlijk weet niemand goed wat ze met jou aan moeten. Kijk, je moeder heeft zoiets van: ‘Ik weet het gewoon niet met Mike. Het kan zijn dat er een steekje bij hem los zit. Dat-ie zo geboren is.’[…]”’

Februari: „Door die column raakte ik in gesprek met mensen die de jeugdzorg hebben verlaten omdat ze het te gruwelijk vinden om er te werken. Nu kun je zeggen, ja, over 25 jaar zijn we met tien miljard en kunnen we het idee wel opgeven dat kinderen individuele aandacht nodig hebben. Maar vooralsnog lijden die kinderen elk afzonderlijk onder de aanpak van efficiency, onder het idee dat zij er alleen maar zijn opdat anderen er geld aan kunnen verdienen. Zolang dat de situatie is moet je er iets tegen doen. En de enige manier waarop dat kan is door literair naar die kinderen te kijken en te vragen, wat is hun verhaal, waarom gedragen ze zich zo? Vroeger was het voor hulpverleners normaal om op die manier te kijken, maar inmiddels wordt het hun verboden.”

In uw essays bent uzelf opvallend afwezig, zeker vergeleken met andere Nederlandse essayisten. Alsof het een niet-belichaamd denken betreft, alsof u alvast een voorschot neemt op het leven in…

„…het hiernamaals?”

Het leven in de cloud.

„Dat hoor ik wel vaker, maar het verbaast me: ik ben natuurlijk de meest belichaamde schrijver die je kunt vinden in Nederland. Je hebt verschillende soorten van belichaming, en beschouwelijk schrijven kan daar een vorm van zijn. Je kunt een levensgevoel of een geestesgesteldheid belichamen door niet óver iets te schrijven, maar door te laten zien hoe je dat doet, hoe je iets benadert. Ik kies niet een onderwerp om vervolgens te zeggen wat jullie daar de rest van de week van moeten vinden. Ik schrijf niet vanuit een bepaald kamp, of vanuit een bepaalde positie in de ideeëngeschiedenis, maar eigenlijk altijd vanuit mijn ervaring, of die van anderen. Dat is precies ook weer die literaire techniek.

Lees ook: In weldadige hoeveelheden stort Maxim Februari schoonheid over de kijker uit

„Iemand zei laatst tegen me dat mijn leven voor mijn werk is komen te staan. Maar dat geldt niet alleen voor mij – in de 21ste eeuw zijn schrijvers alleen maar in tel als ze een publieke persoonlijkheid hebben. Dat anderen zo in mijn persoon geïnteresseerd zijn, heeft natuurlijk effect op wat ik schrijf en wat ik doe. Tegelijkertijd wordt de kunst er verder door gemarginaliseerd. Ik weet zelf nooit waar een schrijver geboren is of wanneer en hoeveel mannen of vrouwen of kinderen hij of zij heeft gehad.”

Volgens de regels van het identiteitsdenken maakt het wel degelijk uit.

„Als je een roman leest zit je sowieso in het hoofd van iemand anders. De schrijver is voor de lezer bij uitstek De Ander. Bij mijn romans, ook al zijn ze niet ontzettend autobiografisch – dat zijn ze trouwens wel, maar niemand die dat ziet – kom je als lezer in mijn hoofd te zitten, en daar kun je zien hoe ik denk op het moment dat ik even niet meer aan de beperkingen van de krantencolumn vastzit. Je leert de gedachtegang van een schrijver kennen, zijn fascinaties, zijn interesses. Dat maakt het lezen van een roman zo intiem.

„Als mensen zeggen dat ik weinig in mijn werk ‘zit’, bedoelt volgens mij iedereen eigenlijk: ‘Goh, jij schrijft in je romans wel opzienbarend weinig over seks.’ Ik denk dat dat de hele mededeling is.”