Opinie

In de zorg is geen plek meer voor melancholie

Zorg Kindertekeningen en stickers geven het ziekenhuis een sfeer van voorwaartse vrolijkheid. Maar tijd om even op de rand van het bed te gaan zitten heeft de arts niet meer, constateert .
Illustratie Mikko Kuiper

‘Niet open doen als patiënten voor de deur staan.” De tekst staat prominent op de klapdeuren van de nieuwe afdeling geriatrie. Een weekenddienst betekent eigenlijk altijd een gevecht tussen de klok en een eindeloze hoeveelheid patiënten die altijd meer aandacht verdienen dan ze krijgen. Neem mevrouw K. Geboren in 1914 is ze de oudste patiënt die ik ooit heb gezien. Terwijl een druilerige decemberzon zich mager door de wolken prikt, wordt me elke mogelijkheid om deze eeuwganger echt te spreken, ontnomen. Ze maakte twee oorlogen mee, kreeg stemrecht en zag de Muur vallen, maar ik vraag haar slechts of ze haar bakje vla heeft leeggegeten en al in de stoel heeft gezeten. Onder het mom van efficiëntie lijkt soms elke ademruimte voor emotie uit de begroting te zijn wegbezuinigd. En die is misschien juist in deze donkere decembermaand meer dan nodig.

Om de geriatrie-afdeling te verlaten, moet ik het jaartal intoetsen gevolgd door een hekje. Het glas van de deur is extra bewapend met ijzerdraad. Ik herinner me een zin uit Hemingway’s The Old Man and the Sea: „Fish”, he said softly, aloud, „I’ll stay with you until I am dead.”

Het is de oudjes hier niet gegund om zich in stilte van de kudde af te zonderen. Melancholie of weemoed is een gemoedstoestand die neigt naar depressie en zich kenmerkt door een verdrietige kijk op het verleden of een onvervuld verlangen. Dat woord komt van het Griekse melas (zwart) en cholè (gal) ofwel ‘zwarte gal’: een van de vier ‘humores’ volgens de leer van Claudius Galenus, een Griekse arts uit het Romeinse Rijk. Men spreekt bijgevolg ook wel van zwartgalligheid. Maar niet zozeer de aanwezigheid van zwarte gal als wel het uit evenwicht raken van de vier lichaamssappen (bloed, gele gal, zwarte gal en slijm) werd volgens onze voorgangers gezien als de basis van ziekte.

Helaas is zwartgalligheid de afgelopen jaren verbannen. Dat gebeurde in diverse sectoren, maar bij uitstek in de zorg. Alle processen lijken ‘lean’ en ‘agile’ (flexibel) te moeten verlopen. We pogen het systeem zodanig te laten functioneren dat we ons als zorgverleners volledig kunnen richten op onze belangrijkste taak: het leveren van zorg. Maar niets is minder waar. De meest primaire emotie, angst, heeft er tot op heden voor gezorgd dat de meest ‘agile’ maatregel, een landelijk elektronisch patiëntendossier, er nog altijd niet is en wij bijgevolg vooral worden begraven onder administratie voortkomend uit argwaan.

Lees ook: Artsen willen niet meer eindeloos turven

Naast efficiëntie moet de toekomst ook vooral overgoten zijn met een innovatieve, zonnige en jeugdige aanpak. Op zichzelf is er natuurlijk niets tegen in te brengen om de nieuwbouw van een ziekenhuis op te fleuren met wat daglicht en hier en daar een kindertekening, maar af en toe lijkt de staat van permanent optimisme en voorwaartse vrolijkheid meer op een grimas dan een geloofwaardige ambitie. Een verblijf in een ziekenhuis is over het algemeen toch niet iets wat iemand nastreeft, al helemaal niet tijdens de kerst. Dat lijken we soms niet meer te willen zien.

Illustratie

Mikko Kuiper

Nadat we de heup van een volgende patiënt op de operatiekamer hebben hersteld, maak ik een middagrondje op de afdeling. De meeste patiënten zitten aan de lunch. Broodje kaas, glaasje melk. Nuchterheid is een benijdenswaardige eigenschap in Nederland.

Zeker in een ziekenhuis geeft overdreven drama geen pas. Een arts wordt bekwaam geacht om zijn vermogen om een ‘professionele’ afstand te bewaren tot de patiënt en zich niet in te laten met de passerende ellende. De zwartgalligheid is letterlijk in een zwart gat verdwenen. Maar als er één plaats is in de samenleving waar de melancholie functioneel is, lijkt het me juist een ziekenhuis. Ze biedt troost in datgene wat we niet kunnen begrijpen. Waarom biedt de scan geen verklaring voor de pijn die je hebt? Waarom treft het lot jou en niet je buurman? Het vermogen om daar als arts begrip voor te tonen in plaats van het verdriet te rationaliseren, is essentieel.

De enige specialist in het ziekenhuis die recht lijkt te hebben op het spreken over emotie, is de psychiater. Hij mag dwepen met de pathos en zijn breedsprakige statusvoering in het dossier met een beschrijving van de gevoelstoestand, de beleving en de bijbehorende behandeladviezen. Dat vormt een schril contrast met het staccato van „+1 gammanail ivm pertrochantere femurfractuur, E/D (eet/drinkt), ontlasting +, pijn onder controle, mobiliseert, hoort ’s nachts stemmen, icc psychiatrie” van de chirurgische statusvoering.

Lees ook: Wie zorgt er voor de groeiende groep 80-plussers?

Weinig woorden betekent echter niet een gebrek aan empathie. Het artsenvak is een ambacht waarbij de meester zich juist vaak toont op dat gebied. Een hand op een schouder of even op de rand van het bed gaan zitten, kan het verschil maken. In het verleden zijn het juist de grote rationele leiders die het vermogen hebben om de eigen emotie en die van de ander te benoemen, erop te reflecteren en er vervolgens al dan niet gehoor aan te geven.

Verlammende bekrompenheid

In zijn Meditaties beschrijft Marcus Aurelius, keizer in de tweede eeuw, op diverse manieren hoe het lot ons allen onheus behandelt maar dat we een keuze hebben hoe we daarmee omgaan. „De angst zelf raakt ons meer dan de zaken waar we bang voor zijn.” De ontkenning van de emotie leidt tot een verlammende bekrompenheid waarmee we onszelf en elkaar beperken.

Helaas lijken we er steeds meer voor weg te deinzen, de angst en de somberheid. De gemiddelde Nederlander en dus ook artsen, inclusief ikzelf, lijken emotie meer te zien als een guilty pleasure. Vooral in december zijn de ‘hart- en ziellijsten’ en feelgoodfilms niet aan te slepen. We verkneukelen ons om verliefde boeren en mijmeren over de sportprestaties die ons komend jaar, tijdens de Olympische Spelen in Tokio, weer tal van hoogte- en dieptepunten zullen opleveren. De reductie van onze omgangsvormen tot een excelsheet dat netto kosteneffectief moet uitkomen, is ronduit een verwaarlozing van dat wat ons kenmerkt.

Mijn permanent rinkelende ziekenhuispieper behoedt me gelukkig om echt te verdrinken in deze sombere gedachtestroom. Ditmaal is het een verpleegkundige van de spoedeisende hulp. De deur met de vrolijke dieren geeft toegang naar de kinderkamer. Een geschrokken vader kijkt me hoopvol aan. In zijn armen een bebloede deken met een snikkend jongetje van vijf. Hij wilde een boekenkast beklimmen en heeft die omver getrokken. Nu heeft hij een hoofdwond. We besluiten dat het kind gehecht moet worden op de operatiekamer. Het gesprek met de ouders en het jongetje kostte me nog geen tien minuten. Al deed ik m’n best, het lukte me niet om in de drukte oprecht medeleven te tonen – op het deel na dat is aangeleerd dan.

Pleister op een knuffel

De dag eindigt met een jongetje dat honderd jaar jonger is dan de patiënt waarmee ik mijn dag begon. We hechten zijn voorhoofd weer netjes in zijn oude vorm. Het onschuldige gezichtje onder het felle licht van de operatiekamer heeft iets weg van een cherubijntje in een groot Renaissance-schilderij. Als we klaar zijn, wil ik het bed terugrijden naar de uitslaapkamer. „Ho ho”, zegt mijn opleider. „Niet zo snel.” Naast het kussen pakt hij een klein maar doorleefd konijn, de lievelingsknuffel is van het jongetje. Zorgvuldig plakt hij de pleisters precies op dezelfde plekken als waar we hem hebben gehecht.

Op weg naar huis is de hart- en ziellijst van Radio 4 aanbeland bij ‘Erlkönig’, een lied van Schubert. Het gaat over een vader die ’s nachts te paard met een ziek kind een storm trotseert op zoek naar hulp. Met lieve teksten probeert hij het kind te troosten. De dood is echter sterker dan zij en zal hen onherroepelijk inhalen. Het kind overlijdt onderweg.

Du liebes Kind, komm, geh mit mir!

Gar schöne Spiele spiel’ ich mit dir;

Manch’ bunte Blumen sind an dem Strand,

Meine Mutter hat manch gülden Gewand.

In tegenstelling tot mijn onvermogen om overdag medeleven te tonen, raakt het lied me meer dan ik dacht. Een volle maan verlicht het donkere asfalt. Zonder donker geen licht, en juist daarom moeten we het verdriet soms vieren. Zolang grote chirurgen nog de tijd nemen om de knuffel van een klein kind te hechten, komt het allemaal wel goed.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.