De slag om Parijs is al lang beslecht

Frankrijk De Boulevard Périphérique grendelt Parijs af van de rest van Frankrijk. Correspondent Peter Vermaas, die na zeven jaar terugkeert naar Nederland, fietst een laatste keer onder de ringweg door naar de banlieue.
Fietspad in Parijs met op de achtergrond de Notre Dame.
Fietspad in Parijs met op de achtergrond de Notre Dame. Foto Charles Platiau/Reuters

Sinds een paar jaar woedt in de coulissen van online-encyclopedie Wikipedia een soms hoogoplopend debat over het Engelstalige lemma ‘Parijs’. Inzet is de prominente illustratie rechts bovenaan de pagina. Lang stond daar een afbeelding van de Eiffeltoren met op de achtergrond de glimmende kantoorkolossen van zakenwijk La Défense, maar een fanatieke Canadese editor verving dat plaatje in 2013 door een ansichtkaartachtige collage met het Louvre, de Notre-Dame en een brug over de Seine. Snel kwam de moderne skyline weer terug. En daarna weer de suikerzoete collage. Tot op de dag van vandaag wisselen de foto’s elkaar regelmatig af.

Die ‘Slag om Parijs’, zoals Le Monde het maar meteen noemde, lijkt futiel, maar is dat niet. De strijd onder de internetters gaat over een wezenlijke vraag die om meer draait dan het imago van de hoofdstad: is Frankrijk een modern land of uiteindelijk toch vooral het gemoedelijke openluchtmuseum uit de profetieën van Michel Houellebecq dat definitief de aansluiting met de rest van de wereld gemist heeft?

Het is een ijzig koude dinsdag in december als ik op de fiets stap om zelf een laatste keer de grenzen te verkennen van de stad waar ik bijna zeven jaar woonde en werkte. Er wordt massaal gestaakt tegen pensioenhervormingen waarvan niemand op dat moment nog weet hoe die eruit gaan zien. Het is de tweede landelijke actiedag, de radio meldt vier keer per uur, op de toon van het weerbericht, hoeveel treinen nog rijden. (Twee tgv’s op tien en even weinig forensenboemeltjes van en naar de voorsteden.) Duizenden mensen zullen weer niet op hun werk kunnen komen. Vakbondsmensen zijn met hun spandoeken al onderweg naar het aangewezen actieplein om hun overzichtelijke eis („geen hervorming”) kracht bij te zetten.

Via nette nieuwe fietspaden die ik de laatste jaren van dichtbij heb zien aanleggen, zoef ik in tegengestelde richting langs het stilstaande verkeer aan de Seine richting Porte de Bercy. Over mijn schouder zie ik nog net een glimp van de gehavende Notre-Dame, rechts staan de vier gigantische torens in de vorm van openslaande boeken waarin François Mitterrand – volgens veel Fransen de laatste ‘grote president’ – de Bibliothèque Nationale onderbracht. En dan begint het rafelige niemandsland onder de ringweg die Parijs scheidt van de rest, van banlieue en uiteindelijk ook provincie.

Het verkeer op de Boulevard Périphérique, zoals de weg officieel heet, staat bumper aan bumper. Elf minuten naar Porte d’Italie, meldt een lichtkrant. Een vals orkest van veel-tonige sirenes overstemt het gegrom van motoren. Ook hier onder de brug, zwartgeblakerd, zijn de dieseldampen adembenemend.

Grand Paris

De internetter die op Wikipedia steeds weer de foto van La Défense terugplaatste, de Parijzenaar Stéphane Antoine, was ervan overtuigd dat zijn stad de organisatie van de Olympische Spelen van 2012 is misgelopen omdat in de lobby te veel de nadruk was gelegd op „het toeristische aspect”. Ze sloegen de plank mis, zei hij eind 2014, omdat Parijs zoveel meer is dan wat zich binnen de ringweg afspeelt: Parijs telt niet slechts de 2,2 miljoen inwoners die in het oorspronkelijke Wikipedia-lemma stonden, maar de ruim 7 miljoen mensen die wonen in ‘Grand Paris’, groot Parijs, dat ook de omliggende gemeenten meerekent. Antoine wilde héél Parijs laten zien, ook de moderne metropool.

In de hoofden van veel Fransen, maar ook organisatorisch, is alles buiten de ‘Périph’ immers geen Parijs maar banlieue. Ook La Défense zelf, na de City in Londen het grootste zakenkwartier van Europa met hoofdkantoren van multinationals als Société Générale en Total, valt officieel niet onder Parijs maar onder vier kleinere gemeentes. De plaatsen die je direct aan gene zijde van de ringweg vindt, zijn op papier zelfstandig, maar bestaan economisch bij de gratie van Parijs.

Lees ook: Heeft Frankrijk vervoer met Kerst?

In het noorden, zuiden en oosten liggen overwegend de voorsteden waar af en toe de vlam in de pan slaat door hoge werkloosheid, drugshandel en gespannen relaties tussen jongeren en de politie. In het westen vind je net over de ring sjiekere plaatsjes voor gewezen Parijzenaars die een iets lager tempo zoeken. Voor iedereen geldt: de ringweg is een onneembare horde , een psychologische barrière.

De rondweg van zo’n 35 kilometer werd bij de oplevering in 1973 nog gevierd als hoogtepunt van vooruitgang en vooruitstrevendheid. Georges Pompidou’s premier Pierre Messmer prees de verbeterde doorstroom van het verkeer. Maar de ringweg was ook een succes voor het „Parijse landschap” en had volgens hem zelfs „artistieke” kwaliteiten.

Ik wilde geen ‘Parijs-correspondent’ zijn, maar ‘Frankrijk-correspondent’

Met meer dan een miljoen auto’s en vrachtwagens per dag is dit inmiddels de drukst bereden autoweg van Europa, berucht bij vakantiegangers. De maximale snelheid ging er in 1993 van 90 naar 80 en in 2014 naar 70 kilometer per uur, maar gemiddeld wordt door de constante opstoppingen steeds langzamer gereden. Het aantal ongelukken daalt nauwelijks.

Nu willen politici ervan af. Het idee van een metropool ‘Grand Paris’ zal immers nooit een succes worden als een achtbaans-snelweg het oude Parijs blijft afsnijden van de rest.

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar heeft onafhankelijk kandidaat Gaspard Gantzer, ex-spindoctor van François Hollande, daarom voorgesteld om de Périphérique tegen de vlakte te gooien en te vervangen door woningbouw en groenstroken. De huidige burgemeester van Parijs, de socialist Anne Hidalgo, zegt dat ze van de ringweg een reguliere Parijse boulevard wil maken met een maximum snelheid van 50 kilometer per uur, fietspaden en oversteekplaatsen voor voetgangers.

De sociologische kloof is in de eerste plaats een gevoelskwestie. Om de economische scheidslijn vast te stellen kun je kijken naar de onroerendgoedprijzen.

Parijs „intra muros”, binnen de stadsmuren, is alleen nog betaalbaar voor de allerrijksten: de onroerendgoedprijs ligt er sinds dit jaar op gemiddeld meer dan 10.000 euro per vierkante meter, in sommige wijken is het zelfs al bijna 16.000 euro. In tien jaar zijn de prijzen 66 procent gestegen. Wie de Périphérique oversteekt, betaalt meteen 50 procent minder. Met een gemiddeld Parijs’ inkomen kost het 31 jaar om de hypotheek op een huis van 100 vierkante meter af te lossen, becijferde Le Monde eens. Met een gemiddeld Frans inkomen kun je in zeven jaar 100 vierkante meter buiten Parijs kopen.

Als ik bij Porte de Bercy die vervloekte ring voorbij ben, lijkt het idyllische Frankrijk van de ansichtkaarten ver weg. Ik passeer immense hypermarchés, distributiecentra en garagebedrijven op schier eindeloze bedrijventerreinen. Cafeetjes met vale gevelreclames van Kronenbourg-bier, waar ouvriers vroeger hun lunch genoten, zijn dichtgetimmerd. Vanuit nieuwe blokkendozen verzorgen pizzeria’s, kebabzaken en hamburgertenten de nieuwwereldse catering.

Naarmate ik verder zuidwaarts trap, richting luchthaven Orly, worden fietspaden en andere fietsers zeldzamer. De auto regeert. Links en rechts doemen de eerste echt hoge woonkazernes op. Van de staking die heel Frankrijk volgens de berichten zou hebben lamgelegd, is hier niet veel te merken. De meeste scholen zijn gewoon open, kinderen kwetteren op de pleinen, er wordt aan de weg gewerkt, hier en daar rijdt zelfs een bus. Nette appartementencomplexen verrijzen op plaatsen waar de regio bouwt aan tram- en metrolijnen (de ‘Grand Paris Express’) die de banlieue beter op het OV-net van het Parijse stadshart moeten aansluiten. Frankrijk, ontdaan van gouden franje.

Oh la la

Ik heb veel sympathie voor de Wikipedia-activist Antoine. Toen NRC mij eind 2012 vroeg om naar Parijs te verhuizen, waarschuwde ik de toenmalige hoofdredactie dat ik mezelf nooit ‘francofiel’ had genoemd en ook niet van plan was om dat te gaan worden. Ik associeerde dat woord met 2CV’s en chansons uit een ander tijdperk, met glaasjes rode wijn en onbegrijpelijke subsidiefilms waarin uiteindelijk iedereen met elkaar in bed belandt – oh la la. Ik wilde geen ‘Parijs-correspondent’ zijn, maar ‘Frankrijk-correspondent’.

Mijn hypothese: door het toeristische frame blijft iedereen Frankrijk als anachronistische uitzondering zien, als het unieke dorpje van Astérix in een steeds eenvormiger wereld. Maar die eeuwige exception française ontneemt het zicht op het moderne Frankrijk, op een land dat meer in verandering is dan we denken en dan Franse elites, in hun identiteitsijver en grootmacht-praat, durven toe te geven. ‘La France’ is tenslotte een merk, misschien wel de meest waardevolle topografische merknaam die er bestaat. Het land is de populairste reisbestemming in de wereld. In 2018 gaven bijna 90 miljoen toeristen er zo’n 56 miljard euro uit – voor het zoveelste jaar een nieuw record. Die mensen komen niet voor wolkenkrabbers die je ook elders in de wereld kunt zien, voor fastfoodrestaurants of winkelcentra met bekende ketens.

Vanachter mijn bureau keek ik op een van de cafés waar op 13 november 2015 willekeurige terrasbezoekers zijn doodgeschoten.

Vastbesloten om Frankrijk als ‘normaal’ land te behandelen, schreef ik over de bloeiende start-upscene in Parijs en hipstersteden als Nantes en Toulouse. Niet Duitsland, maar Frankrijk trekt tegenwoordig na het Verenigd Koninkrijk in de EU de meeste tech-investeringen aan. Ik verdiepte me in Franse hiphop, inmiddels de belangrijkste muziekindustrie. Ik probeerde uit te leggen dat de zo vaak bespotte 35-urige werkweek slechts voor een klein deel van de werknemers geldt en dat Fransen, trouwens, een hogere arbeidsproductiviteit hebben dan Duitsers.

Ik liet zien dat Fransen ondanks dat ogenschijnlijke patriottisme Engels proberen te leren – Chinees zelfs. En dat het met dat patriottisme buiten Parijse elitekringen ook nogal meevalt. In de provincie bespeurde ik vooral twijfel en onzekerheid, het gevoel cultureel niet meer bij het Frankrijk te horen dat de wereld verheerlijkt en omarmt. Toen ik meldde dat boektitels als French Women Don’t Get Fat (2004) volgens gezondheidsstatistieken op verzinsels berusten, kreeg ik verontwaardigde mails van Nederlandse Frankrijk-fans. Dat kan toch niet zo zijn! Maar toch: de meerderheid van de Fransen staat allang niet meer zelf in de keuken. Uit eten, dat is voor de protesterende gele hesjes met wie ik weken doorbracht in Normandië een gezinsmenu bij ‘McDo’.

Demystificatie, kortom. Ging prima. Maar Frankrijk werkelijk als ‘gewoon’ land beschouwen is soms wat veelgevraagd.

Want waar in de westerse wereld vind je nog mensenmassa’s die de straat opgaan om voor hun rechten – of kortweg tegen het kapitalisme – te demonstreren, desnoods weken? Waarom lopen discussies over immigratie en islam altijd zo hoog op? En hoe kan het dat ondanks alle nadruk op égalité de Franse samenleving extreem hiërarchisch is en klassenverschillen vrijwel permanent voelbaar zijn? François Hollande, die net president was toen ik in Parijs arriveerde, noemde zichzelf bij zijn aantreden in 2012 een „normale” president, maar moest snel concluderen dat de Fransen daar niet op zaten te wachten. De Franse president is een „republikeinse monarch”, analyseerden wetenschappers al decennia geleden. Op bewonderenswaardige wijze verzorgde Hollande de nationale rouwbegeleiding na de terreurgolf van 2015 en 2016. Maar hij zal internationaal uiteindelijk vooral herinnerd worden om zijn particuliere escapades met motorhelm – oh la la.

Die aanslagen speelden zich bijna allemaal af in een cirkel van een kilometer rond mijn huis. Vanachter mijn bureau keek ik op een van de cafés waar op 13 november 2015 willekeurige terrasbezoekers zijn doodgeschoten. In januari 2015, na het bloedbad bij Charlie Hebdo en in een koosjere supermarkt, betoogden honderdduizenden voor mijn deur voor de vrijheid van meningsuiting.

Lees ook: Frankrijk wacht ontwrichtende staking

Een soort enclave

Het was in die dagen dat ik regelmatig naar het banlieue-stadje Grigny ging, waar ook mijn fietstocht deze stakingsdag om begonnen was. Ik was er voor het eerst geweest toen jongeren op een zaterdagavond op tamelijk spectaculaire wijze een trein overvallen hadden. Ik waande me in een ander land, veel verder weg dan de dertig kilometer die Grigny scheidt van de Notre-Dame. Die tweedeling, de immense kloof tussen de mensen die erbij horen en de mensen die niet meedoen, leek me de échte exception française.

In januari 2015 bleek Amedy Coulibaly, de geradicaliseerde draaideurcrimineel die het vuur had geopend bij de koosjere supermarkt en de aanslag bij Charlie hielp voorbereiden, hier vandaan te komen. Zijn wijk La Grande Borne, onderdeel van Grigny maar als een soort enclave aan de overkant van de Autoroute du Soleil gelegen, kwam later nog eens in het nieuws toen een politieauto met agenten erin met molotovcocktails bestookt werd.

La Grande Borne, oordelen de deskundigen eens in de zoveel maanden, is voor de republiek „verloren terrein”. Er is een „territoriale, sociale en etnische apartheid” in Frankrijk, analyseerde premier Manuel Valls zelfs na de aanslagen. Bij zijn aftreden zei Macrons minister van Binnenlandse Zaken Gérard Collomb vorig jaar oktober dat hij vreesde dat de giftige mix van verpaupering, criminaliteit en moslimfundamentalisme in dit soort wijken tot grotere problemen leidt dan de autoriteiten – hij zelf dus ook – lijken te beseffen. Hij waarschuwde voor wat Fransen communautarisme noemen: groepsvorming, in het bijzonder door moslims – een doodzonde in de republiek die officieel „une et indivisible” (een en ondeelbaar) is. „We moeten deze gebieden voor de republiek heroveren”, zei Collomb.

La Grande Borne.
Foto Thibault Camus/AP
De wijk La Grande Borne waar de terrorist Amedy Coulibaly opgroeide
Foto Winfried Rothermel/ Picture-Alliance, AFP

La Grande Borne was door architect Emile Aillaud ooit utopisch bedoeld als ‘kinderstad’ met veel speelruimte, maar werd in de jaren tachtig compleet overgenomen door de drugshandel. Het is een wonderlijke plek, met lage pastelkleurige woningen die als spaghettislierten langs de straatjes slingeren. 45,5 procent van de totale bevolking, dus inclusief het iets welvarender oorspronkelijke dorpje, leeft er onder de armoedegrens van 750 euro per maand. De helft van de jongeren verlaat school zonder diploma. Het overgrote deel van de bevolking heeft een migratieachtergrond, en is hier vaak pas net gearriveerd.

Op het stadhuis, in het oude deel van Grigny, vraag ik burgemeester Philippe Rio, een communist, of hij de net verschenen film Les Misérables gezien heeft. Daarin zien we drie losgeslagen agenten die in hun dagelijkse kat-en-muisspel met jongeren in een vergelijkbare banlieue-gemeente een grove fout begaan en die proberen te verhullen. Maker Ladj Ly toont de wetteloosheid („De wet, dat ben ik”, zegt een van de agenten) en de uitzichtloosheid. Het is een beklemmende film, die begint met shots van dezelfde jongeren die naar de Champs-Élysées trekken om met duizenden anderen de WK-winst van het Franse voetbalelftal te vieren – uni. Na een privévertoning in het Élysée liet de hofhouding van president Emmanuel Macron doorschemeren dat hij door de film „diep geraakt” was. Het was zijn manier om zijn zorg over de banlieue weer even genoemd te hebben.

De burgemeester kijkt me verontwaardigd aan. „Ik heb geen film nodig om te zien wat hier gebeurt”, zegt hij. Dat Macron onder de indruk was, noemt hij een gotspe.

Het banlieu-stadje Grigny. Foto Thibault Camus/AP

De president heeft flink geïnvesteerd in onderwijs, dat ziet de burgemeester ook: in dit soort probleemwijken zijn klassen gehalveerd om taalachterstanden te voorkomen en landelijk is er nu een leerplicht vanaf drie jaar. En hij heeft de door Nicolas Sarkozy afgeschafte wijkpolitie weer min of meer teruggebracht om via een betere relatie met de bevolking de sociale veiligheid te vergroten. Maar een lijvig advies waar bestuurders van probleemgemeentes, waaronder Rio, met oud-minister Jean-Louis Borloo sinds het aantreden van Macron aan werkten, legde de president naast zich neer. Hij wilde niet weer een nieuw miljardenplan om probleemwijken te redden. „Soms gebeurt hier iets en dan spreekt iedereen er schande van, maar daarna zijn we meestal weer snel vergeten”, zegt Rio. „We staan er meestal alleen voor.”

Als ik na dik anderhalf uur fietsen La Grande Borne binnenrijd over een nieuwe brug over de Autoroute du Soleil, zie ik dat de cité waar ik al zo vaak was de laatste jaren een metamorfose heeft ondergaan. Woningen zijn opgeknapt, er is een publieke-dienstencentrum en gezondheidscentrum geopend. Ook hier wordt aan een tramlijn gewerkt voor wat in het Frans treffend désenclavement heet: ontsluiting. Op affiches is zelfs een zaterdagse architectuurwandeling aangekondigd. ‘La République pour tous’ staat op een spandoek dat aan het dak van de middelbare school hangt.

Bij zijn taalbureautje tref ik De-Charles Aka, een excentrieke voormalige wijkwerker die me vanaf 2013 in La Grande Borne wegwijs maakte. Hij is positiever dan de laatste keer dat ik hem zag. De buurt, zegt hij, is echt iets leefbaarder geworden. Maar hij staat erop dat ik mijn fiets tot in zijn kantoor meesleep. Hij heeft zijn hoop gevestigd op het idee van ‘Grand Paris’, zegt hij als ik hem ernaar vraag. Alle nieuwe OV-lijnen zouden de twee Frankrijken tot elkaar kunnen brengen. De meeste moeten af zijn als Parijs alsnog, in 2024, de Olympische Spelen krijgt. Nu werd wel de moderne metropool-campagne gevoerd waarop Stéphane Antoine jaren eerder hoopte. Het olympische dorp komt zelfs buiten de Périph in Seine Saint-Denis, het armste departement van Frankrijk.

Lees ook de tips van Peter Vermaas voor een weekendje weg als een echte Parijzenaar: Spectaculaire zwembaden en demonstraties, zo beleef je Parijs eens anders

In zijn fascinerende boek L’archipel français: naissance d’une nation multiple et divisée (2019) beschrijft de politicoloog en opiniepeiler Jérôme Fourquet hoe Frankrijk een eilandenrijk is geworden. „La république une et indivisible”, het Parijse ideaal sinds de revolutie, is in zijn cijfers ingeruild voor een Frankrijk met vele gezichten. Dat komt voor een deel door immigratie, maar niet alleen. Hij kijkt naar veranderende voornamen (de vele duizenden ‘Kevins’ en ‘Dylans’, sterk vertegenwoordigd bij de gele hesjes en in de populistische partij van Marine Le Pen), de massale opkomst van de tatoeage na de ontkerkelijking en, vooral, naar sociale en economische ongelijkheid. 67 miljoen Fransen hebben allang niet meer allemaal dezelfde culturele referenties, schrijft hij.

„Frankrijk verandert en Fransen veranderen”, concludeert De-Charles voordat ik mijn fiets weer uit zijn kantoor til om de terugreis aan te vangen. „Het is jammer dat zoveel mensen niet meer passen in het gangbare ideaalbeeld.”

Dit is het laatste stuk van Peter Vermaas als correspondent in Frankrijk. Hij wordt chef Opinie & Debat. Gert Van Langendonck volgt hem op in Parijs.