De NRC-fotowedstrijd: Mijn Nederland

Mijn Nederland NRC vroeg dit jaar lezers Nederland in beeld te brengen. Al die mooie, ontroerende en soms doodgewone foto’s zijn een remedie voor het geklaag.

Foto Marjolein Alons-Pijnaker

Denkend aan ‘mijn Nederland’ zie ik een colonne subsidietrekkers met een obese ik aan het stuur rond een districentrum parkeren. Je zou willen dat „aan den einder”, „in de geweldige ruimte verzonken, de boerderijen” staan, „verspreid door het land, boomgroepen, dorpen”, zoals in Marsmans gedicht, maar die wereld verdwijnt in hoog tempo, verandert – voor ‘boomgroepen’ lees ‘windmolens’. En waar ze nog wel is, onttrekken juist die districentra en andere grijze blokkendozen die wereld van toen nu aan het zicht.

Aan het eind van het jaar, en aan het eind van dit fotoproject, waarin lezers in twaalf thema’s hun Nederland toonden, is het verleidelijk om zo te klagen. Maar er is ook troost in al die mooie, ontroerende en soms doodgewone foto’s die op deze pagina’s hebben gestaan en het veelvoud ervan dat op de website is te zien.

Als de lelijke buitenkant en de boze binnenkant van Nederland me weer eens aanvliegen, zoek ik vaak troost bij de foto’s van Siebe Swart. God schiep Nederland, en zoals bekend schiepen de Nederlanders hun eigen land. Swart fotografeert al zijn halve leven Nederland vanuit de lucht, waartoe hij een helikoptertje-met-piloot op afroep beschikbaar heeft.

Tekst gaat verder onder de foto’s

Foto RONALD PUMA
Foto Anton Poptie
Foto Lennart Koopsen
Linksboven: Foto Ronald Puma, rechts: Anton Poptie. Onder: Lennart Koopsen

Omdat Rijkswaterstaat een van zijn belangrijke opdrachtgevers is, zijn die grote waterwerken – dijken, dammen, stuwen, polders, nieuw aangelegde uiterwaarden, en de grote beweegbare stormvloedkeringen in de Oosterschelde en de Nieuwe Waterweg – rijk vertegenwoordigd in zijn archief van luchtfoto’s.

Dat is de harde verdediging tegen het water uit zee en water ‘via de achterdeur’ uit de grote rivieren: het staal en beton, de klei en het basalt waarachter al die Nederlandse districentra en startbanen en windmolens veilig zijn en die met hun geometrie en klare lijnen zonder dat er een mens in beeld is ‘mijn Nederland’ een mysterieuze schoonheid geven.

Sommige van Swarts foto’s, ook van zo’n grote hoogte genomen dat je geen mensen ziet, tonen een glimp van ‘mijn Nederland’ voor er dijken waren, laat staan Deltawerken. Dat is het Nederland waarover Plinius de Oudere hoorde spreken, het gebied in het noorden waar een ‘miserabel volk’ op zelfgebouwde heuvels moest wonen, omdat de zee er twee keer per dag het land overspoelde zodat je niet wist of dit nu land of water was. Dat is het Nederland van de wandelende zandplaten en zeegaten, kwelders, gorzen, groezen en schorren, waarvan Swart de fantastische kleuren en patronen heeft vastgelegd, de eerste sporen van inpoldering, land dat net boven water komt na de vloed en zich uitschudt in de zon, of dat net weer onder water glijdt. Mijn vloeibare Nederland.

Expositie Siebe Swart: Vanaf papa’s schouders

When will the Netherlands disappear? was de omineuze kop bij een stuk dat Politico.eu deze week publiceerde. Geruststellend antwoord: zelfs bij een kleine meter zeespiegelstijging niet deze eeuw. Maar wat als het in 2300 vijf meter wordt? Nu kun je zeggen: scenario’s zijn precies dat. En wie kon dertig jaar geleden voorspellen dat we nu op een mobiel telefoontje zitten te kijken? Of je kunt stoïcijns zeggen dat er de laatste 250 miljoen jaar zelden een moment is geweest dat ‘Nederland’ niet helemaal of half onder water lag. Maar 200 jaar is overzichtelijk. Eén optie: geef de Randstad prijs aan de zee. „In dat geval moeten we tien miljoen mensen ergens heen zien te leiden”, zegt hoogleraar Maarten Kleinhans in bijbelse termen.

Tekst gaat verder onder de foto’s

Foto Arend Voet

Als je eerlijk bent en een beetje kijkt naar de werkelijk lange termijn, zit er in Swarts beelden dus weinig troost. Terwijl wij ons achter de dijk koesteren in onze maakbaarheidsmythen, wordt, zoals Marsman dicht, „in alle gewesten de stem van het water/ met zijn eeuwige rampen/ gevreesd en gehoord.”