De gemene acties van doordrinkers

Zap In de documentaire Roes (VPRO) probeert een groep gewoontedrinkers de maand januari ‘droog’ door te komen. Ze weerden zich kranig, maar hun omgeving werkte nogal tegen.
Leo de Boer ruikt aan een glas calvados in Roes.
Leo de Boer ruikt aan een glas calvados in Roes. Beeld VPRO

De laatste week voor Kerst was de week van de rijen drankflessen op televisie. In Keuringsdienst van Waarde (KRO-NCRV) verdwenen de presentatoren achter een muur van cider, terwijl ze probeerden te achterhalen wat het eigenlijk was, cider. Een soort likeur, zei een vrouw beslist. „Bier, maar dan van appels”, volgens een ander, waarna een derde kenner de verwarring compleet maakte: „Het is appelwijn.”

Zie daar maar eens iets coherents uit te destilleren. De zoektocht naar echte cider bracht Daan Nieber naar Engeland. Daar trof hij onder meer een boomschudmachine aan, een fenomenaal apparaat, de droom van elke driejarige (en veel ex-driejarigen).

Minder rustiek was het bij een fabriek in Wallonië, waar Marijn Frank geen appels aantrof, maar slechts uit Hongarije en Polen geïmporteerd diksap. Het resultaat werd door de cideraficionado’s in de uitzending misprijzend „een gemixt dingetje genoemd” en „limonade”. Maar ja, je mag iets al cider noemen „als er een appel overheen is gevlogen”.

Niet dat je nog veel cider (of andere drank) zou durven drinken na de dubbele rondleiding door Zuipland Nederland die de tv eerder had geboden. Andere tijden (NTR) schetste woensdag hoe het land de strijd tegen het water weliswaar won, maar zichzelf vervolgens tot de rand liet vollopen met alcohol. In 1950 waren we een natie van bedeesde borrelaars. Er ging per jaar viereneenhalve liter gedestilleerd in de gemiddelde Nederlander, elf liter bier en een liter wijn. Twintig jaar later moesten er, zo bleek uit oude beelden, heel wat meer flessen op een rij worden gezet: zes liter jenever, vijf liter wijn en liefst 57 liter bier.

In combinatie met verkeersdeelname was het levensgevaarlijk: Nederlanders begonnen elkaar en masse dood te rijden. ‘Glaasje op, laat je rijden’ zorgde voor nieuwe complicaties in het Heinekengestuurde caféleven. En voor oplossingen. Een verslaggever vroeg een vrolijke man: „Hoe is het nu om uw vrouw mee te nemen naar het café?”

Waarom het zo moeilijk is om niet te drinken in gezelschap was maandag al aan de orde gekomen in Roes (VPRO), een documentaire over een groep gewoontedrinkers die probeerden de maand januari ‘droog’ door te komen. Ze weerden zich kranig, zeker nadat hun glazen waren nagemeten en veel groter bleken dan de ‘glazen’ uit de gezondheidsrichtlijnen.

De hel, dat waren de anderen. Want in Roes werd klare wijn geschonken: gezelligheid heeft in Nederland een promillage. Op een nieuwjaarsborrel werden voor elke alcoholvrije cocktail er vijfentwintig ‘gewone’ weggeklokt. En die vijfentwintig drinkers doen in hun ongemak veel onaardige dingen. Zomaar je glas bijvullen met drank als je probeert met alcoholvrije wijn een feestje door te komen. Of ze maken een nummertje van niet drinken alsof ze zich een reïncarnatie van Youp ‘Buckler’ van ’t Hek wanen.

Ontluisterend was een etentje van documentairemaker Leo de Boer met oude vrienden, die (zelf dikdoenerig aan de wijn) maar niet uitgepraat raakten over de tijdelijke geheelonthouding van hun vriend, met half grappende opmerkingen als: „We groeien wel uit elkaar.” En zelfs: „Ik weet niet of ik nu van jou aan het afdrijven ben of jij van mij.” De metafoor kiezen is de vraag beantwoorden, zullen we maar zeggen.

De gemeenste actie van de doordrinkers kwam na het eten, toen ze voor de ogen van Leo calvados bestelden. De arme man, die aan het afkicken was van sloten wijn en whisky, de ogen uitsteken met een glas calvados… Ik voelde een grote woede opkomen. En zin in calvados, ja, óók zin in calvados.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.