Recensie

Recensie Boeken

In Batavia is de hoogste bestemming van de vrouw het moederschap

Anneloes Timmerije In haar beeldend geschreven roman over een bijslaap in Batavia beschrijft Timmerije de 17de-eeuwse wereld van moeraskoortsen, slavernij en piraten.

Illustratie Paul van der Steen

Wat loopt daar langs de kade? Een stel baarmoeders, op pootjes. In De mannen van Maria van Anneloes Timmerije worden zeven meisjes meegestuurd met een VOC-schip naar Batavia. ‘Wij gingen om te baren, verscheept op bestelling van de heren ginds, zeven meisjes die vaak nog niet eens waren gekust’, luidt de eerste zin, bij monde van Maria van Aelst, de achttienjarige hoofdpersoon uit Steenbergen.

Het is 1625. Negen maanden duurt de reis, en bij aankomst blijkt Batavia nog niet veel meer te zijn dan een zompig, gevaarlijk moeras. Maria wil er niet blijven, maar heeft geen keus. Ze wordt op ‘de meisjesmarkt’ uitgekozen door een oudere heer van stand, een handelaar in specerijen. ‘Rokken omhoog, ding erin, paar keer stoten, hijgen, onderdrukt kreunen en klaar’, is wat ze verwacht van de bijslaap, en dat komt uit. Na de derde keer doet het geen pijn meer.

Harde tijden zijn het. Timmerije (1955), een journaliste die zelf Indonesische wortels heeft en met deze roman haar vijfde fictiewerk maakte, beschrijft de 17de-eeuwse wereld van scheurbuik, moeraskoortsen, slavernij en piraten door Maria’s ogen. De beeldend geschreven roman eindigt in Den Haag, in 1674, ‘achter de Hollandse waterlinies, waar de soldaten van Lodewijk de Veertiende niet kunnen komen’. Maria, oud, ziek en kaal, ligt op sterven.

Kinderloos huwelijk

Maria van Aelst heeft echt bestaan, al is er niet veel meer van haar bekend dan dat ze de echtgenote was van Antonio van Diemen, gouverneur-generaal van 1636 tot 1645, en dat hun huwelijk kinderloos bleef. Hij was haar derde man, de eerdere twee stierven al gauw. Timmerije heeft Maria voor het overgrote deel zelf ingevuld, en slaagt erin haar een veelzijdig karakter te geven, met een interessante kijk op de wereld. Omdat Maria met steeds machtiger mannen trouwt, komt haar veel ter ore, bijvoorbeeld over wat de Heren Zeventien, het bestuur van de VOC, zoal beslissen. De feiten in het verhaal kloppen.

Het is aangenaam en verrassend, nu eens te lezen hoe het een slimme, eigengereide vrouw van stand verging in die tijd. Maria verveelt zich weliswaar min of meer haar leven lang noodgedwongen te pletter, toch blijft de roman boeien. Binnen haar grenzen doet Maria wat ze kan, en nog wat meer. Zo handelt ze, hoogst ongebruikelijk voor een vrouw in die dagen, middels tussenpersonen in diamanten. Die zijn dan wel niet zoveel waard als ‘muskaatnoten’, toch zorgt ze er eigenhandig voor, extra rijk te worden. Ze groeit uit tot de ‘koningin van Batavia’.

Schokkende kwesties zijn voor Maria doodgewoon, maar worden wel genoemd. Dat is slim gedaan.

Desondanks zit ze gevangen in sleur. Timmerije houdt de toon vitaal: ‘Ik kon de leegte van mijn dagen het hoofd bieden met wachten. Wachten op het ontbijt, op het middagmaal, het avondmaal, wachten tot Elisabeth haar dagelijks verslag van het huishouden kwam doen, wachten tot een nieuw bestelde jurk werd geleverd.’

In Batavia kan Maria geen kant op, al zorgt ze ervoor dat ze met de koets uit rijden mag en tracht ze een Latijnse school op te richten. Ze besteedt, deels noodgedwongen omdat er niets anders te doen is, veel tijd aan haar uiterlijk. Ze houdt van opsmuk, desnoods stiekem: ‘Ik stond uit het zicht, [...] gekleed in een zwarte jurk. Een geoefend oog kon het kostbare zijdebrokaat herkennen [...] Alleen wie heel dichtbij kwam, zou in de schering op mijn mouwen de twee leeuwen uit het wapen van Batavia herkennen.’ Soms is ze stoutmoedig, zo wacht ze op een keer een van haar mannen naakt op, met alleen haar kanten kraag om.

De mannen van Maria is een portret van Maria, haar karakter en haar ontwikkeling. Een duidelijke plot ontbreekt. Na een gezwinde start krijgt de vertelling iets verbrokkelds. Pas dan blijkt het echt een soort dagboek te zijn, waarin hap-snap notities staan, zonder de houvast van een spanningsboog. Uitgaand van een overpeinzing zoals: ‘Hoewel je het met mate moet gebruiken, zit vleierij soms mooi in elkaar’, of een gebeurtenis, blikt Maria terug op haar nabije geschiedenis. Hier en daar is het hinderlijk dat de compositie niet hecht is. Dan komen grote kwesties – was Antonio een stiekeme ‘sodomiet’? – met bijbehorende bijfiguren en al, ineens uit de lucht vallen.

Schokkende kwesties

Maar meestal heeft de roman, naast een prettige terloopsheid, juist ook grote zeggingskracht. Timmerije wekt Batavia tot leven, vol sprekende details, waarmee ze erin slaagt een 17de-eeuwse manier van denken te suggereren. Schokkende kwesties, zoals het moorddadige bewind van Jan Pieterszoon Coen, zijn voor Maria doodgewoon, maar worden wel genoemd. Dat is slim gedaan. Dat de man door God boven de vrouw is gesteld, is voor Maria ook niet iets om ter discussie te stellen, net zomin als dat de hoogste bestemming van de vrouw het moederschap is. Of dat inheemse vrouwen nog minder zeggenschap hebben dan vrouwen uit de Republiek. Al hebben ze een verhouding met een witte man, ze mogen niet mee als hij teruggaat. ‘Het is een goede regel, want je moet er toch niet aan denken dat al die bijslapen naar de Republiek komen’, vindt Maria.

Zelf ziet ze er geen been in twee Afrikaanse vrouwen te kopen op de slavenmarkt. Het zijn zussen, dus noemt ze de een ‘Zus’ en de ander ‘Zusje’ – dat ze al namen hebben, komt geen moment in haar op. Ze beschouwt ze als een soort gebruiksvoorwerpen. Als de jongste vrouw een kind baart, noemt Maria het ‘Meisje’. Als Meisje vijftien is, neemt ze haar mee op de boot naar huis, en verkoopt de moeder zonder blikken of blozen aan de nieuwe gouverneur-generaal. Pas op haar sterfbed schemert subtiel door dat ze in de gaten krijgt dat Meisje een mens is. Het zijn de laatste zinnen van de roman.