Waar het werkelijk om ging

Kerstverhaal Speciaal voor NRC Boeken schreef Rob van Essen, winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2019, een kerstverhaal.

Illustratie XF&M

De etage van Ferdinand was uitgebrand en hij woonde tijdelijk in een heel ander deel van de stad, aan de andere kant van de ringweg, waar de woonblokken ver van elkaar stonden, met veel groen ertussen. Zoveel daglicht was hij niet gewend, in de smalle straat waar hij had gewoond verdween de schemering nooit helemaal, met uitzondering van die paar dagen per jaar dat de zon in de late middag aan het eind van de straat stond en al het groezelige vuil met één veeg van zijn licht liet verdwijnen. Dat ga ik wel missen, dacht hij.

Verder was hij erg tevreden.

In de wisselwoning waarin de woningbouwvereniging hem had ondergebracht, stonden weinig meubels, en geen daarvan was van hem. Vrienden en bekenden waren komen aandragen met allerhande huisraad, waarvan hij het meeste had opgeslagen in de kelderbox die bij zijn nieuwe etage hoorde.

Hoewel Ferdinand voor brand verzekerd was, had zijn afdelingschef een inzameling georganiseerd die een paar duizend euro had opgeleverd. Ferdinand wist niet of dat veel of weinig was, er was op kantoor nooit eerder zo’n inzameling gehouden. Het liep tegen kerst, wie weet had dat zijn collega’s vrijgeviger gemaakt. Dat zou betekenen dat je nog minder aan ze had als je huis in de zomer uitbrandde.

Naast de kantoorkerstboom had Ferdinand een met dankbaarheid doorspekt toespraakje gehouden waarvoor zijn collega’s hadden geklapt, knikkend, met half dichtgeknepen ogen. ‘Wanneer ik eenmaal gesetteld ben in mijn nieuwe huis, nodig ik jullie allemaal uit voor een drankje’, zei Ferdinand toen het applaus na een paar seconden was uitgedoofd. Zijn collega’s glimlachten beleefd, alsof ze meteen hadden begrepen dat hij hier niets van meende.

Hij werd ‘die jongen van de brand’, dat was onvermijdelijk

Elke avond liep hij na het eten een rondje door zijn nieuwe buurt. Hij had er vaak van gedroomd om alle spullen die hij in de loop der jaren had verzameld eens grondig op te ruimen. Ondanks de schok van de gebeurtenis voelde hij een voorzichtige opluchting dat dit nu eindelijk was gebeurd, en nog wel zonder dat hij er iets voor had hoeven doen. Tijdens zijn avondwandelingen keek hij naar verlichte woonkamers die gevuld waren met voorwerpen waarvan minstens de helft weg kon.

Hij werd ‘die jongen van de brand’, dat was onvermijdelijk. ‘Zeg, jouw huis was toch afgebrand?’ Hij kon er steeds slechter tegen wanneer vrienden, kennissen of collega’s hem voorhielden dat zo’n brand een blessing in disguise kon zijn, dat hem hierdoor de kans werd geboden opnieuw te beginnen, de kans om te bepalen wat écht belangrijk was in het leven, waar het nu wérkelijk om ging. Telkens wanneer iemand zoiets tegen hem zei, beving hem een doffe woede. Ik zal jouw appartement een keer in brand komen steken, dacht hij dan, dan kan jij ook eens opnieuw beginnen.

Hij hing een plattegrond van de stad aan de muur waarop hij de adressen markeerde van de mensen die hem hadden aangesproken op de mogelijkheid van een nieuw begin. Het waren er behoorlijk veel. Hij begon een route te ontwerpen die hem in staat zou stellen in één nacht al die adressen in vlammen te doen opgaan. Het was nog een heel gepuzzel om tot de snelste route te komen, ook omdat er zo nu en dan een nieuw adres op de kaart moest worden ingevoerd. Sommige mensen woonden hoog, dat was een probleem, dan kon je vanaf de straat niets naar binnen gooien. Een ander probleem was dat hij natuurlijk meteen de hoofdverdachte zou zijn; zelfs als hij ervoor koos het project over een paar weken of desnoods maanden uit te smeren, zouden de autoriteiten op een gegeven moment bij hem uitkomen, als de gemeenschappelijke factor in het leven van de slachtoffers. Om die autoriteiten op een dwaalspoor te brengen zou hij er adressen van onbekenden bij kunnen betrekken, maar de onrechtvaardigheid daarvan stuitte hem tegen de borst.

Wanneer hij ’s avonds na zijn avondwandeling terugkeerde in zijn lege etage keek hij tot diep in de nacht naar politieseries in de hoop dat er een geval zou worden behandeld dat op het zijne leek, en waarvan hij iets zou kunnen leren op het gebied van uitvoer en alibi’s. Dikwijls werden er diverse politieseries tegelijkertijd uitgezonden, en hij switchte van zender naar zender om maar niets te missen.

Op dit punt aangekomen vond Ferdinand het raadzaam om alsnog gebruik te maken van het aanbod van zijn verzekeraar om eens te gaan praten met een psycholoog. Hij kwam terecht bij een vrouw met een grote ronde bril en kortgeknipt zilveren haar die zich voorstelde als Kirsten Hemelrijk. (Hij geloofde niet dat dit haar echte naam was. Pas jaren later, toen ze al twee kinderen hadden en alsnog gingen trouwen, zou hij erachter komen dat ze daadwerkelijk zo heette.)

‘Het is heel raar’, zei hij tegen Kirsten Hemelrijk nadat hij in het kort had verteld hoe hij er de afgelopen maanden aan toe was geweest. ‘Ik voel me opgelucht dat ik al mijn oude troep kwijt ben en opnieuw kan beginnen, ik hoorde gisteren zelfs dat ik in mijn wisselwoning mag blijven wonen omdat mijn oude huis onherstelbaar is beschadigd en zal worden afgebroken, maar als anderen me erop wijzen dat zo’n brand een zegen is, een uitgelezen kans om te bepalen wat belangrijk is en zo, dan kan ik daar volstrekt niet tegen en krijg ik plannen om hun huizen in brand te steken.’

‘Dat is helemaal niet raar’, zei Kirsten Hemelrijk. ‘Je zou zelfs kunnen zeggen dat het de enig juiste manier is om op dergelijke opmerkingen te reageren.’ Ze legde uit dat de anderen alleen maar clichés uitspraken die ze hadden opgedaan in boeken en tijdschriften. Dat die clichés op Ferdinand toepasbaar waren was toeval, dat konden ze niet weten, omdat ze hem daarvoor bij lange na niet genoeg kenden. ‘Ze hebben het niet tegen jou, ze stellen zichzelf gerust, en dat voel je aan, en dat is wat je witheet maakt.’

‘Dat is het,’ zei Ferdinand, ‘dat is het helemaal.’

‘Maar dat betekent niet dat ik kan meegaan in je plannen’, zei Kirsten Hemelrijk.

‘Nee, dat begrijp ik’, zei Ferdinand.

In de maanden daarna bezocht hij Kirsten Hemelrijk één keer per week. Na een paar sessies haalde hij de plattegrond van de muur van zijn kamer. Wel bleef hij naar de politieseries kijken, want Kirsten bleek dezelfde series te volgen. Vaak brachten ze een hele sessie door met het bespreken van uiterst geslaagde of juist belachelijk slechte afleveringen. Op een dag vroeg ze of ze bij hem langs mocht komen om zijn interieur te zien.

‘Ik was benieuwd of je alweer meer troep in je huis zou hebben’, zei ze toen ze van kamer naar kamer liep en hier en daar een kastdeur opende. ‘Maar het is hier nog heerlijk leeg.’ In de keuken trok ze de bestekla open. ‘O wat heerlijk overzichtelijk, dat wil ik ook’, zei ze. ‘Je hebt alleen te weinig warme kleren.’ ‘Daar zal ik wat aan doen’, zei hij.

Ze stonden er gelukkig nooit, elke avond bracht hij alleen door

De winter naderde, op kantoor was de kerstboom al weer uit het opruimhok gehaald waarin hij elke januari werd opgeborgen. Misschien kwam het door de hernieuwde aanwezigheid van de boom dat de collega’s zich opeens weer de brand herinnerden, en de inzameling die ze gehouden hadden, en de belofte die Ferdinand had gedaan. Op sarcastische toon vroegen ze wanneer ze nu eens zouden worden uitgenodigd om te komen kijken naar de huisraad die hij ongetwijfeld van hun geld had gekocht, of zouden ze anders maar eens ongenood voor zijn deur opduiken? Ferdinand weerde ze lachend af maar telkens wanneer hij de dagen erna door de grauwe, smeltende sneeuw naar huis fietste, was hij bang voor zijn deur een kluit collega’s aan te treffen die er op de een of andere manier in waren geslaagd eerder dan hij zijn woning te bereiken en er nu op stonden door hem te worden vermaakt.

Ze stonden er gelukkig nooit, elke avond bracht hij alleen door. Op een van die avonden belde Kirsten Hemelrijk. ‘Over de sessie van morgen’, zei ze.

Ze gaat afzeggen, dacht Ferdinand, en hij zocht steun bij de muur.

‘We gaan naar buiten’, zei Kirsten. ‘Zorg dat je fiets in orde is en neem genoeg warme kleding mee. Tien uur, de Noorderbrug.’

Lichaamsbeweging is de beste therapie, dacht Ferdinand. Sommige therapeuten gingen wandelen met hun patiënten, Kirsten Hemelrijk was blijkbaar van het fietsen. Voor hij ging slapen liep hij naar beneden om zijn fietsbanden op te pompen.

Onderaan de brug stond ze al op hem te wachten. De laagstaande zon legde goud licht op het water. Er was gestrooid, dus de beklimming en de afdaling van de brug kostten weinig moeite. Aan de overkant van het water begon het platteland. De sneeuw was vrijwel ongerept. Elk kristal lichtte afzonderlijk op. Onder zijn volgepompte banden knerpte het, alsof hij over minieme stukjes glas reed, die verpulverden zodra ze onder zijn banden kwamen. Het was koud, de adem kwam in wolkjes uit zijn mond, hij was blij dat hij onlangs goede handschoenen had gekocht.

‘Ik ben opgelucht geweest’, zei hij op een gedeelte van het fietspad dat breed genoeg was om naast haar te fietsen. ‘Ik ben boos geweest, ik zat vol wrok, daarna kwam berusting, maar ook angst – en telkens dacht ik dat dat het eindstadium was, dat ik daarmee verder moest leven, maar steeds kwam er weer iets na’.

Kirsten Hemelrijk knikte kort, zonder opzij te kijken, alsof ze iets hoorde wat al eerder was gezegd en waarop ze toen al afdoende had gereageerd. Het fietspad werd smaller en Ferdinand liet zich afzakken tot hij weer achter haar fietste, in het spoor dat zij voor hem trok. Blijkbaar had zij een route in haar hoofd. Hij keek achterom, om te zien wat voor afstand ze al hadden afgelegd. Boven de stad hingen verschillende grijze rookpluimen, vrijwel horizontaal, alsof de luchtlaag erboven te dik was om doorheen te dringen.

‘Het brandt in de stad!’ riep hij naar voren, maar ze leek hem niet te horen. Telkens wanneer hij achterom keek hingen er meer rookpluimen boven het silhouet van de stad. De brand bij mij thuis was niet genoeg, dacht hij, de hele stad moet eraan, er begint voor mij nu daadwerkelijk een nieuw leven.

Maar toen hij weer achterom keek vroeg hij zich ongerust af of niet elke rookpluim ontsprong op een plek die hij vroeger op zijn plattegrond had gemarkeerd. Had hij die weggegooid of ergens in een la gelegd waar Kirsten hem had kunnen vinden toen ze hem had bezocht?

‘Wat heb je gedaan?!’ riep hij naar voren. ‘Je moet het ongedaan maken!’

‘Als je er niet tegen kan’, zei ze, ‘moet je niet achterom kijken.’ Ze wees naar voren. ‘Zie je dat kerktorentje? Daar zullen we iets eten. En daarna gaan we verder.’

Hij probeerde niet meer achterom te kijken. De wereld vóór hem was fris, en wit en blauw, alles glinsterde en kraakte, uit schoorstenen van boerderijen steeg witte rook omhoog. Hij stelde zich voor hoe achter hem de hele stad afbrandde. Ik ben de enige die wordt gered, dacht hij, de enige die door haar wordt gered.

Ze bereikten het kerktorentje. Er lag een klein dorp bij. Ze zaten op een bankje voor het plaatselijke café en dronken koffie uit grote mokken. Er steeg damp op uit de koffie, er kwam damp uit hun monden. Binnen werd soep voor hen gemaakt. Ze keken uit over witte velden. In de verte werd de stad bijna geheel door een dichte, donkergrijze nevel aan het zicht onttrokken – niets anders dan een laaghangende wolkenbank waaruit in de loop van de dag nog meer sneeuw zou vallen.