Slechts vijf vrouwen in de kunsthistorische canon van de Lage Landen

Canon Nederlandse kunst De internationale vereniging van museumprofessionals Codart presenteerde deze week een lijst van de honderd belangrijkste kunstobjecten uit de periode 1350-1750 in de Nederlanden. Van overdreven aandacht voor inclusiviteit of relativering van de term ‘Gouden Eeuw’ lijkt geen sprake.

Clara Peeters, Stilleven met kazen, brood en drinkgerei, ca.1615. Uit de collectie van het Mauritshuis, Den Haag.
Clara Peeters, Stilleven met kazen, brood en drinkgerei, ca.1615. Uit de collectie van het Mauritshuis, Den Haag. Foto Margareta Svensson

Rembrandts Nachtwacht en het Gezicht op Delft door Johannes Vermeer staan er natuurlijk op. Afgelopen maandag presenteerde Codart, de vereniging van museumconservatoren op het gebied van kunst van de Nederlanden, op haar website de honderd belangrijkste kunstwerken uit de periode 1350-1750. De lijst kwam tot stand na een voorselectie door professionals en een online publieksstemming, en mag dus worden beschouwd als een breed gedragen verzameling favorieten.

Codart (Curators of Dutch and Flemish Art) is een Nederlandse stichting die bestaat sinds 1998. De ruim zeshonderd leden zijn verbonden aan musea met een collectie Nederlandse en/of Vlaamse kunstwerken, in Europa en Noord-Amerika tot Japan en Nieuw-Zeeland aan toe. Codart bevordert onderling contact en samenwerking in themagroepen en symposia, en geeft via digitale kanalen informatie over tentoonstellingen en andere wetenswaardigheden op het aandachtsgebied. Doel van de Codart-canon is het verspreiden van kennis van kunst uit de Lage Landen en het tonen van de enorme omvang en diversiteit ervan.

Paulus Potter, De stier, 1647. Collectie Mauritshuis, Den Haag

De lijst bevat dan ook een keur aan de mooie, innovatieve en invloedrijke artistieke producten, tot stand gekomen in de, voor de Nederlandse en Vlaamse kunst glorieuze periode van de late Middeleeuwen tot midden achttiende eeuw. Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck (1432), de Tuin der lusten door Bosch (1490), Jagers in de sneeuw van Breugel (1565), het grafmonument voor Willem van Oranje door Hendrick de Keyser (1614) en de Stier van Potter (1647) zijn er slechts enkele voorbeelden van.

Gebroeders Van Limburg, getijdenboek Très riches heures uit ca. 1412 - 1416, Musée Condé, Chantilly

Foto. R.M.N. / R.-G. OjŽda

Ongeveer de helft van de geselecteerde werken bevindt zich op plaatsen buiten Nederland en België, en ook de lijst zelf valt niet te betrappen op bekrompen nationalisme. De gebroeders Van Limburg, die met hun miniaturen in het getijdenboek Très riches heures zijn vertegenwoordigd, werden hier geboren maar maakten carrière in Frankrijk. Van Antwerpenaar Antoon van Dyck is er zijn portret van de Engelse koning Karel I, en van de Brusselse beeldhouwer François Duquesnoy met een Heilige Suzanna die hij in 1629 maakte voor een kerk in Rome.

Peter Paul Rubens, Nicolas Rubens met een ketting van koraal, ca. 1619. Collectie Albertina, Wenen.

Spelregels voor de canon waren er wel qua verdeling van de verschillende kunstvormen. Aangezien de Nederlanden bekend staan om de schilderkunst, mag die 60 procent van het totaal beslaan. Sculptuur, kunstnijverheid, prent- en tekenkunst krijgen er elk tien. Kunstenaars komen ten hoogste tweemaal per categorie voor; de enigen die vaker opduiken zijn Rubens (twee schilderijen, een tekening) en Rembrandt (twee schilderijen, een tekening, een ets). Een vrouwenquotum is niet vastgesteld, maar de aanwezigheid van Judith Leyster, Clara Peeters, Maria Sibylla Merian, Rachel Ruysch en de minder bekende Amsterdamse prentenmaker Geertruydt Roghman, doet de kleine vertegenwoordiging van vrouwen uit het toenmalige kunstbedrijf toch enige eer aan.

Jan van Eyck, Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw, 1434. Collectie The National Gallery, Londen

Van overdreven aandacht voor inclusiviteit of relativering van de term ‘Gouden Eeuw’ lijkt geen sprake. Veruit de meeste werken staan in relatie tot de zelfbewuste en welvarende Europese adel en burgerij. Opvallend is wel dat in tweede instantie een, slechts onder fijnproevers bekende, houtsnede van Pieter Coecke van Aelst, getiteld Gebruiken en manieren van de Turken (1555) aan de lijst werd toegevoegd. Tegenover deze uiting van belangstelling voor een destijds exotisch volk staat dat twee schilderijen met verwijzingen naar het koloniale verleden behoren tot de 23 werken die van de voorselectie zijn afgevoerd: een Stilleven met een Chinese kom door Willem Kalf, en een scène die Albert Eckhout maakte van een groep dansende Tarairiu indianen in Nederlands-Brazilië. In de komende periode wil Codart zijn leden dergelijke keuzes laten toelichten en verantwoorden.