Necrologie

Rauwe dichter van de Rotterdamse straat

Jules Deelder (1944-2019) Hij was dichter én entertainer. En Rotterdammer. Grote prijzen kreeg hij niet. Waardering volop.

Jules Deelder
Jules Deelder Foto Frank Ruiter

‘En als je gaat/ is het je tijd geweest/ Dat is een ding/ dat zeker is”, dichtte Jules Deelder een paar jaar geleden, maar dat het zijn tijd al was, verwachtte niemand. Donderdag overleed de dichter en performer na een kort ziekbed in zijn stad Rotterdam. Een maand geleden werd hij springlevend vijfenzeventig, verscheen toen op televisie en stal vorige week nog de show op het jubileumfeest van zijn uitgever De Bezige Bij. „Ik ben te oud om jong te sterven en te jong om oud dood te gaan”, zei hij onlangs nog tegen HP/De Tijd – een opmerking die hij door de jaren al vaak gemaakt had.

Lees ook: Jules Deelder en zijn religie: jazz

Iets onvoorspelbaars bleef hij tot het einde toe houden, zoals ook het personage uit het gedicht uit de bundel De zwarte jager (1973), dat zijn familie bij de bekendmaking van zijn sterven citeerde: „Zijn gaan is/ een komen/ Zijn komen/ een gaan// Hij houdt niet/ van zitten/ Hij blijft/ liever staan// Zichzelf/ en de wereld/ een raadsel.”

Dat raadselachtige cultiveerde Justus Anton Deelder in zijn werk, terwijl hij anderzijds ook volstrekt voorspelbaar was: hij was misschien wel de Nederlandse dichter met het meest herkenbare imago, met een publieke performance die minstens de helft van het werk deed. Hij was in de eerste plaats Rotterdammer zoals de prototypische Rotterdammer die graag ziet: nuchter en noest, die hard werkt en opleeft in de nacht. Zijn gedichten moet je horen, moest je hem horen voordragen – waarbij hij steevast op het podium stond met achterovergekamd haar, een strak zwart pak en een prominente bril die zijn ogen verborg.

Zie ook de fotoserie die NRC maakte van deze rauwe en bewogen dichter

Geen holle woorden

Binnen de literatuur positioneerde Jules Deelder zichzelf als entertainer, een dichter die zei waar het op stond en om wie je kon lachen, waarmee hij zich afzette tegen de ‘literatureluur’. Bij hem geen holle grote woorden, maar de rauwe woorden van de straat. „Brede gedichten kan ik niet tegen/ Meestal zijn ze strontvervelend/ Hun dichters blijven onbegrepen/ En mogen elkaar prijzen geven”, schreef hij in 1991 – grote literatuurprijzen zou Deelder nooit krijgen. Hij was zo’n beetje de enige die authentiek en oprecht was, zoals hij in het recente interview nog herhaalde: „Ik ben een echte dichter. Ik schreef mijn eerste gedicht al toen ik nog nooit een gedicht had gelezen.”

Deelder voor het naar zijn dochter ARI genoemde café aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam, in 2009.
Foto Vincent Mentzel
Foto Frank Ruiter
Deelder op het Boekenbal, maart 2003.
Foto Vincent Mentzel
Jules Deelder in 1970 met zijn
vriendin Rosalie Peters.

Foto Vincent Mentzel

Deelder schreef inderdaad al op zijn elfde gedichten, waarna hij in de jaren zestig het grote podium betrad om gedichten voor te lezen: voor het eerst in 1966 op de legendarische manifestatie Poëzie in Carré (bekijk beelden), onder de hoede van zijn ontdekker Simon Vinkenoog. Deelder debuteerde op 25-jarige leeftijd met de dichtbundel Gloria Satoria (1969), de eerste van wat er meer dan vijfentwintig zouden worden. Ook schreef hij proza: veelal korte verhalen die gebaseerd zijn op zijn eigen jeugdherinneringen, als supporter sinds jaar en dag van voetbalclub Sparta, of gingen over de Rotterdamse jazzscene, waar hij zich sterk verwant mee voelde. Hij schreef als een jazzmusicus: steeds dezelfde thema’s, steeds bleef hij de zinnen speels uit zijn mouw schudden.

De onderwerpen waarover Deelder schreef behoorden niet tot het geijkte terrein van de poëzie, al werd het dat wel steeds meer, mede door toedoen van Deelder. Poëzie moet voortkomen uit dat wat niet poëtisch was, volgens Deelders literatuuropvatting: „Hetzelfde zien/ maar het zo/ zien, zoals nog/ niemand het zag”, schreef hij al in zijn derde bundel Boe! (1972). Gedenkwaardig was de blik die hij op de Rotterdamse bokser Bep van Klaveren wierp in de biografie The Dutch Windmill (1980), waarin niet alleen diens leven, maar ook de stad Rotterdam tot leven kwam. Deelder stopte het boek vol met krantenberichten, lijstjes en citaten. De ‘readymade’, gevonden teksten die hij tot gedicht verhief, was een van zijn meest gebruikte genres.

Maar vooral zal Deelder herinnerd worden om zijn humor – om gedichten die toegankelijk zijn en een lach veroorzaken. Zoals het korte ‘Heelal’: „Hoe verder men keek,/ Hoe groter het leek.” Veel van zijn regels zijn bovendien vereeuwigd op (Rotterdamse) muren, zoals op de Nieuwe Binnenweg: „de omgeving/ van de mens/ is de medemens.” Of in het metrostation Coolhaven, waar de grens tussen leven en dood onzichtbaar wordt gemaakt: „Haven of/ heaven// scheelt maar/ één letter// Vandaar dat/ Coolhaven// voortaan Cool-/ heaven heet// en de hemel/ voor het eerst// in de historie/ voor iedereen// direct per metro/ bereikbaar is.”

Correctie (19 december, 12.17 uur): in een eerder versie stond de volledige naam van Jules Deelder vermeld als Julius Antonius Deelder in plaats van Justus Anton Deelder. Dit is aangepast.