‘Met populistische gekkies hou ik geen rekening’

In Irak was er wekenlang een online haatcampagne tegen haar, in de Tweede Kamer werd Jeanine Hennis een ‘leugenaar’ genoemd. Haar eerste jaar als VN-chef eindigde met demonstranten die haar bedankten voor ‘de waarheid’.

Foto Marie Cécile Thijs/Lumen

Het was in het voorjaar, Jeanine Hennis was een maand of vijf in Irak als VN-vertegenwoordiger en ze dacht dat ze het land al behoorlijk goed had leren kennen. Wat ze kort na haar aankomst in Irak had gedaan, zou haar niet nóg eens overkomen: dat ze de president, die haar rode wijn zou inschenken, maar treuzelde, in het Arabisch vriendelijk aanspoorde om eens op te schieten, habibi. ‘Schatje’, betekent dat. Hennis had het Iraakse mannen heel vaak tegen elkaar horen zeggen. Maar een vrouw die dat tegen een man zegt? Iedereen die erbij was moest lachen, ook de vrouw van de president. Jeanine Hennis had hem zojuist haar liefde verklaard.

Maar nu belde haar politiek adviseur Mohammed, vanuit haar kantoor op het VN-terrein. Hennis was zelf onderweg. Hij klonk opgewonden. „Jeanine, gisteravond bij de president, wat heb jij daar in godsnaam gezegd?”

Hennis schrok, ze dacht na: wie waren er allemaal bij, tegen wie had ze iets verkeerds gezegd? Ze kon het niet bedenken. Haar politiek adviseur zei: „Heb je misschien gezegd dat je iets mooi vond in zijn huis?” Opeens wist ze het. In de hal van het presidentiële paleis stond een bijzonder schaakbord, een kunstwerk. Bij haar vertrek had ze tegen een medewerker van de president gezegd: „Wow, wat is dát prachtig.”

En nu was het schaakbord bezorgd bij de VN, voor Hennis. Mohammed lachte, hij had haar eens goed laten schrikken, ze zou het vast niet meer vergeten: als je in Irak zegt dat je iets van iemand mooi vindt, dan krijg je het. „Dat had je ondertussen toch wel kunnen weten?”

Jeanine Hennis vertelt het op donderdagavond 24 oktober. We zitten op zwarte, leren banken in het huis van president Barham Salih, een Koerdische politicus die eind jaren zeventig door het regime van Saddam Hussein was vastgezet en gemarteld. Salih glimlacht om het verhaal over het schaakbord. Hennis kijkt naar hem en zegt: „Een van mijn beveiligers zei: ‘Next time you tell the president: nice house.’”

Hennis en Salih hebben net overleg gehad over de Turkse inval in Syrië die twee weken eerder is begonnen, duizenden Koerdische vluchtelingen komen naar Irak. En over de demonstranten op straat in Bagdad en andere steden. Het zijn vooral jongeren die vinden dat er een eind moet komen aan de corruptie, die een baan willen, beter onderwijs, eerlijke verkiezingen. Er was hard opgetreden, in negen dagen vielen 157 doden. Nu is het bijna twee weken rustig geweest, er was een bedevaart naar de sjiitische heilige stad Najaf. Deze donderdagavond beginnen de demonstraties weer.

Op televisie zegt premier Adil Abdul-Mahdi dat hij niet zijn ontslag zal indienen, zoals betogers eisen. Dat zou het land „in chaos” storten. Er komen in zijn regering wel meer jongeren, en vrouwen. Hij zegt ook welke regels er gelden voor de media. Ze mogen verslag doen van de protesten, maar niet live. Twitter, Facebook en WhatsApp zijn dan al wekenlang geblokkeerd.

Hoe lang de protesten deze keer zullen duren en hoe hevig de onrust in Irak zal worden, kunnen Jeanine Hennis en president Salih op die avond in oktober niet voorzien. Er vallen nog honderden doden en tienduizenden gewonden. Salih zal uiteindelijk toch op zoek moeten naar een andere premier en de chaos wordt zo groot dat Hennis begin december haar bezoek aan de VN-Veiligheidsraad in New York afzegt. Haar belangrijkste taak in Irak is: de regering en de Iraakse bevolking adviseren, en nu is het crisis. Op dinsdag 3 december zal ze de leden van Veiligheidsraad toespreken via een video-verbinding.

Dat zijzelf het middelpunt zal worden van politieke onrust en opwinding in Den Haag voorziet Hennis eind oktober ook niet. NRC en de NOS hebben net daarvoor al wel geschreven over het Nederlandse bombardement op de Iraakse stad Hawija in juni 2015, in de tijd dat Hennis voor de VVD minister van Defensie was, en over 70 burgerdoden die daarbij zijn gevallen – Nederland deed in die tijd mee aan de ‘internationale coalitie’ tegen IS. Maar minister Ank Bijleveld van Defensie (CDA) heeft dan nog niet bevestigd dat een Nederlandse F-16 de aanval op Hawija uitvoerde. Ze heeft ook nog niet gezegd dat haar voorganger Hennis de Tweede Kamer verkeerd heeft geïnformeerd over de burgerslachtoffers.

 

Kaas en afbakbroodjes

Vanaf november 2018 leidt Jeanine Hennis de op-een-na-grootste politieke missie van de VN, in een land dat sinds de val van dictator Saddam Hussein in 2003 veel van zichzelf verwachtte, maar vooral conflicten en oorlogen meemaakte. De corruptie is enorm, de politieke en religieuze verdeeldheid ook. IS is militair verslagen, maar niet verdwenen, er zijn nog steeds aanslagen. En er zijn gewapende groepen, nog uit de tijd dat er werd gevochten tegen IS, die zich niet zomaar laten onderbrengen in eenheden van het leger en de politie, en zelf politieke macht en invloed willen hebben.

Hennis woont in Bagdad op een zwaar beveiligd VN-terrein bij de Tigris, zonder familie, net als haar medewerkers. Om de zes weken is ze een paar dagen in Nederland. Op de terugweg naar Bagdad neemt ze kaas en afbakbroodjes mee. En stroopwafels om uit te delen aan haar beveiligers.

In een van de eerste gesprekken voor dit verhaal, in januari door de telefoon, zegt Hennis wat het grootste probleem is in Irak: corruptie. En wat snel geregeld moet worden: de wetten op olie-inkomsten om het geld eerlijker te verdelen, economische hervormingen, het waterbeheer. Turkije en Iran liggen stroomopwaarts, ze bouwen dammen waardoor water wordt tegengehouden, de VN wil Irak ermee helpen. En er moeten onderhandelingen komen over Kirkuk in Noord-Irak, waar de spanningen tussen Turkmenen, Koerden, Arabieren en christenen al heel lang heel groot zijn. Als dat wordt opgelost, denkt Hennis, kan het een voorbeeld zijn voor heel Irak.

Iraakse politici hebben dan al laten weten dat ze wel wat zien in haar idee van een wekelijks ‘coalitieoverleg’ van politieke leiders, zoals in Nederland de regeringspartijen doen, om beslissingen sneller te kunnen nemen. „Eerst was er stress over”, zegt Hennis. „Ze vroegen: ‘Is zo’n overleg beslissend en is het dan wel democratisch? Het is toch aan de fracties in het parlement? Ik zei: ‘Ja, die gaan er uiteindelijk over.’ Hoe dwingend het coalitieoverleg in Nederland is, heb ik maar even niet uitgelegd.”

Irak wil begin dit jaar niet dat Turkije meedoet aan een NAVO-trainingsmissie in Bagdad. In hun strijd tegen de Koerdische PKK bombarderen de Turken ook het noorden van Irak. De Iraakse regering heeft niet meteen door wat het risico is: dat de trainingsmissie dan niet doorgaat. Hennis, die als oud-Defensieminister de NAVO goed kent, belt het hoofdkwartier in Brussel, en ze praat met de Iraakse premier en president. De missie komt er, maar niet meteen met veel Turkse militairen.

Aan de telefoon met premier Mark Rutte zegt Hennis daarna: „In Nederland denken we bij de VN aan hun bemoeienis met Zwarte Piet, hier worden ze bloedserieus genomen.”

 

In een zwarte abaya

In februari gaat Hennis in de stad Najaf op bezoek bij de hoogste shiitische geestelijke van Irak, Ali al-Sistani – een van de meest invloedrijke leiders in het land, ook al is hij 89 en spreekt hij bijna nooit in het openbaar. Oud-VN-diplomaat Lakhdar Brahimi, die in de jaren negentig nog had onderhandeld met Saddam Hussein, raadde Hennis vorig jaar al aan om zo snel mogelijk bij al-Sistani langs te gaan. „Als hij je ontvangt”, zei Brahimi, „zal iedereen je willen ontvangen.”

Van tevoren hoort ze: hij zal jou als vrouw niet aankijken, hij zal stiltes laten vallen. Maar al-Sistani kijkt haar recht aan en praat veel. Over corruptie, het gebrekkige onderwijs, over zijn zorg dat Irak de arena wordt waarin landen uit de regio zoals Iran, maar ook de VS, hun eigen conflicten uitvechten.

In Irak geldt haar bezoek aan al-Sistani als een succes, in Nederland leidt het tot een relletje. Hennis had een zwarte abaya gedragen: een lang gewaad met hoofddoek waardoor alleen haar gezicht en handen te zien zijn. In De Telegraaf schrijft een Amsterdamse VVD’er dat Hennis daarmee „een dolk in de rug van Iraakse vrouwen” steekt, Thierry Baudet noemt het bij WNL „een teken van onderwerping”, volgens cultuurhistoricus Thomas von der Dunk had Hennis „een statement” moeten maken door zonder hoofddoek bij de ayatollah te verschijnen. Er zijn ook mensen die vinden dat ze op z’n minst een andere kleur hoofddoek had kunnen kiezen.

Hennis reageert er publiekelijk niet op. Ze is wel hevig geïrriteerd. In een Amsterdams café, als ze eind februari even terug is, noemt ze de uitspraken over de abaya „hysterisch”. Had iemand zich misschien nog afgevraagd waar het gesprek met al-Sistani over was gegaan? Nee. Of hoe belangrijk hij is voor de stabiliteit van Irak, en dus voor haar werk? Ook niet. „In Najaf is de huisregel: een zwarte abaya. Niemand zou me hebben tegengehouden als ik iets anders aan had gehad. Het zou wel meteen mijn laatste bezoek aan al-Sistani zijn geweest.”

En toch: toen haar medewerkers daarna een bezoek voorbereidden aan de Iraanse hoofdstad Teheran, twijfelde ze ineens heel even aan een onderdeel van het programma dat opnieuw zou leiden tot beelden met een zwarte abaya. Moest dat écht? „Ik had geen zin in nog een rel. Maar het was een verkeerde prikkel. Ik ben daar om problemen op te lossen, niet om rekening te houden met populistische gekkies.”

Een sjiitische leider van een gewapende groep die in de zomer met haar wil afspreken, eist dat ze bij hem ook een hoofddoek draagt. Hennis denkt niet aan beelden – die zijn er niet van zo’n gesprek. Ze zegt wel meteen nee. „U bent geen religieus leider. En anders praten we maar niet.” De afspraak gaat toch door.

Foto Marie Cécile Thijs/Lumen

 

Weeskinderen

In het tv-programma Buitenhof zegt Hennis in juni dat Nederland kinderen van Nederlandse IS-strijders zou moeten terughalen uit de kampen in Syrië, omdat je ze daar anders laat opgroeien tot de volgende generatie terroristen. En dat politici moeten beseffen wat het betekent als ze Nederlandse IS’ers in Irak willen laten berechten: dat die daar de doodstraf kunnen krijgen.

Het is nieuws: een prominente VVD’er, oud-minister en tot vorig jaar zelf nog Tweede Kamerlid, die heel anders denkt over deze IS’ers en hun gezinnen dan de VVD-fractie op het Binnenhof. Het valt extra op omdat diezelfde avond twee Nederlandse weeskinderen van IS-strijders worden opgehaald uit Syrië.

In een restaurant in Nederhorst den Berg, de volgende dag, zegt Hennis: „Morgen ben ik in de Tweede Kamer. Dan hoor ik wel wat ze ervan vinden. Ik heb nu een andere rol.”

En een andere kijk op Nederland, na zeven maanden Irak. Ze zegt dingen als: „Wat zitten we hier toch te klagen.” En: „De golven gaan wel heel hoog over niks.” Natuurlijk snapt ze, om maar wat te noemen, dat Groningers boos zijn over de trage afhandeling van de schade na een aardbeving van twee punt nul. Maar ze begrijpt ook minister Eric Wiebes van Economische Zaken (VVD) die een aardbeving in het dorp Westerwijtwerd – drie punt vier op de schaal van Richter – een „bevinkje” had genoemd. Hennis zegt: „In Bagdad heb ik al drie keer een aardbeving van vijf punt zoveel meegemaakt en dan halen de mensen hun schouders op. Begrijp me niet verkeerd, het was hoog tijd dat er iets voor Groningen werd gedaan. Ik zeg alleen: we hebben het hier goed.”

 

In Bagdad heb ik al drie keer een aardbeving van vijf punt zoveel meegemaakt

 

Als Jeanine Hennis op zondag 3 november minister van Defensie Ank Bijleveld aan de telefoon krijgt, is ze in Dubai voor een bijeenkomst van het World Economic Forum. Het is daar eind van de middag, ze pakt haar spullen om een eerdere vlucht terug naar Bagdad te nemen, diezelfde nacht nog. Politieke leiders willen haar graag spreken, het loopt mis in Irak. Er zijn steeds meer gewapende eenheden, níet van het leger of de politie, die de straat op gaan – soms met maskers op – om demonstranten aan te vallen en gebouwen in brand te steken.

In Den Haag heeft Ank Bijleveld net de brief af die ze op maandag naar de Tweede Kamer zal sturen over het bombardement op Hawija, op 3 juni 2015. Daarin bevestigt ze dat dat door Nederland is uitgevoerd en dat er burgerdoden bij vielen. Ze schrijft ook dat Hennis als minister van Defensie, in het kabinet-Rutte II, de Tweede Kamer daarover verkeerd heeft geïnformeerd. In een antwoord op Kamervragen had Hennis geschreven dat er „voor zover bekend” geen burgerslachtoffers waren gevallen door Nederlandse luchtaanvallen in de strijd tegen IS. Maar het Amerikaanse opperbevel had het ministerie toen al laten weten dat er berichten waren over burgerdoden, persbureau Reuters meldde dat het er zeventig waren – het zou nog worden uitgezocht. Volgens Bijleveld had Hennis daar zes dagen na de aanval een briefing over gekregen door haar ambtenaren.

Bijleveld zegt het door de telefoon tegen Hennis. Die weet niet wat ze ermee aan moet. Bij de berichten van NRC en de NOS over burgerdoden was er bij haar „geen enkel belletje gaan rinkelen” over het aantal van zeventig, zegt ze later. Ze kon zich niet voorstellen dat ze zo’n getal zou vergeten. In Dubai of Bagdad kan ze het niet nagaan in aantekeningen, agenda’s of computers. Maar wat ze meteen denkt, zal ze daarna ook zeggen in een gesprek voor dit verhaal: „In die briefing op mijn ministerie is het níet genoemd. Daar kan ik vergif op innemen. Het beeld na de luchtaanval was diffuus. Er was in die tijd ook een informatie-oorlog aan de gang, wij hadden als coalitie geen militairen op de grond, er was geen body count geweest.”

Maar dat het getal van zeventig rondging, was op haar ministerie bekend. Had ze het niet móéten weten?

„Ik heb het me al honderd keer afgevraagd, hoe had ik het kunnen weten? Ik haat het zinnetje ‘met de kennis van nu’. Als je achteraf gaat terugredeneren zijn er vast momenten geweest waarop het had gekund en ik dus iets anders had moeten beslissen of verder had moeten doorvragen. Maar ik kan het niet overdoen.”

Hoe het foute antwoord, ‘voor zover bekend geen burgerdoden’, in de brief aan de Tweede Kamer terecht was gekomen?

„Het enige wat ik kan bedenken is dat de informatie daarover en het moment waarop het antwoord is opgeschreven, elkaar hebben gekruist. Ik heb de Tweede Kamer in elk geval nooit willens en wetens verkeerd geïnformeerd.”

 

Horror en barbarij

Als ze op maandag 4 november terug is in Bagdad, is het daar ook al nieuws dat Nederland in 2015 de aanval op Hawija had uitgevoerd, met Jeanine Hennis als minister van Defensie. Bij de VN zijn er grote zorgen, IS kan uit zijn op wraak, vanaf het begin van de demonstraties zijn er online ook al haatcampagnes tegen Hennis, op gang gebracht door internet-trollen. In 2003 werd een voorganger van Hennis, de Braziliaanse VN-gezant Sergio Vieira de Mello, in Bagdad gedood bij een aanslag. De VN willen geen risico’s nemen, het idee is dat Hennis haar werk misschien tijdelijk vanuit de Jordaanse hoofdstad Amman moet doen. Zover komt het niet.

Maar wat ze die eerste dagen van november meemaakt, kan ze ook weken later nog niet helemaal bevatten. „Het eerlijke antwoord is dat het nog moet landen”, zegt ze begin december in het laatste gesprek voor dit verhaal, door de telefoon vanuit Bagdad.

Op dinsdag 5 november, in het Tweede Kamerdebat over het bombardement op Hawija, gaat het steeds weer over de „leugens” van Hennis. Selçuk Öztürk (Denk) noemt haar een „lijkenverstopper” die „min of meer verantwoordelijk voor moorden” is, hij wil dat het kabinet bij de VN in New York aandringt op haar ontslag als VN-vertegenwoordiger.

Minister Bijleveld begint in het debat meer dan twintig keer over haar voorganger op Defensie. Ze reageert niet op de beschuldiging van Öztürk. Ze zegt wel: „Ik wil een beetje afstand nemen van het frame dat de Kamer is voorgelogen en dat er sprake is van ‘leugens’.”

Hennis kijkt niet meer naar berichten of gemiste oproepen op haar Nederlandse mobiele nummer.

Op woensdag 6 november twittert ze over „cruciale infrastructuur” die niet geblokkeerd of vernield moet worden door betogers. Irak zou, staat in haar tweet, miljarden aan olie-inkomsten kunnen mislopen. „Dat ondermijnt de mogelijkheid om tegemoet te komen aan de legitieme eisen van de demonstranten.”

Dat Hennis vanaf de eerste protesten met kritiek was gekomen op het harde optreden door leger en politie, dat ze met betogers had gepraat en ook een keer, tegen de zin van de regering, op het Tahrirplein in Bagdad tussen de demonstranten was gaan staan – het lijkt niets uit te maken, op deze tweet krijgt ze heel veel woedende reacties. Zij vindt olie dus belangrijker dan mensenlevens? En hoeveel krijgt ze van de regering betaald voor die mening? Er staan foto’s bij van haar gezicht met een rood kruis erdoor.

Ze wordt nu ook in Irak, online, een leugenaar genoemd. En daarover verschijnen dan weer berichten in Nederlandse media, die een link leggen met het Tweede Kamerdebat over Hawija. Hennis hoort dat een journalist uit Hilversum naar de VN in New York heeft gebeld om te vragen of ze daar vinden dat Hennis nog wel in Irak kan blijven.

VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff stuurt al aan het begin van die week een bericht, hij wil weten hoe het met haar gaat. Hennis heeft ook contact met Rutte, en met D66’er Sigrid Kaag, minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Die belt haar een paar keer. Kaag is zelf VN-diplomaat geweest in Libanon en Syrië. „Zij weet als geen ander wat het werk hier behelst”, zegt Hennis later.

En wat had Hennis gevonden van Bijleveld in het Tweede Kamerdebat over Hawija? „Daar wil ik niks over zeggen.”

Ze zegt wel: „De oorlog tegen IS was een strijd tegen horror en barbarij. Elke burgerdode is er een te veel, het verdriet van de families is enorm. Maar in Den Haag verwerd het tot de discussie: wie wist wat wanneer. Alsof bewindslieden alleen maar bezig zijn om de Tweede Kamer te misleiden. Dan kun je mij wegdragen.”

 

De oorlog tegen IS was een strijd tegen horror en barbarij.

 

Na een tweede debat over de luchtaanval, deze keer ook met premier Mark Rutte, neemt in Nederland de aandacht voor Hennis af. Het Amerikaanse opperbevel zegt in die tijd, anders dan eerder tegen NRC en de NOS, dat er „waarschijnlijk” burgerdoden zijn gevallen in Hawija, maar dat niet kon worden vastgesteld hoeveel.

Pleisters plakken

In Irak trekt Jeanine Hennis tegen het eind van het jaar alleen maar méér aandacht, al is het op een heel andere manier dan eerst.

Als de regering is gevallen, maar de demonstraties doorgaan en het geweld ook, spreekt ze de VN-Veiligheidsraad toe vanuit Bagdad – op 3 december. Ze zegt dat ze een nieuw „patriottisme” ziet op straat, dat de demonstranten politici willen die hun beloftes nakomen, maar nu geen vertrouwen meer hebben. Ze zegt ook dat er nog steeds doden en gewonden vallen door het optreden van de politie en het leger en dat dat onderzocht moet worden. Ze noemt het een „ernstige zorg” dat de protesten „gekaapt” lijken te worden door gewapende groepen die niets met de politie of het leger te maken hebben, en soms wél met andere landen dan Irak. „Maar het is de primaire taak van de overheid om burgers te beschermen”, zegt ze. Ook tegen die bendes. En: „Met pleisters plakken of vreedzame demonstraties uiteen slaan los je het allemaal niet op. Dat is alleen maar brandstof voor de woede en het wantrouwen.”

De toespraak is in heel Irak groot nieuws. In de demonstraties lopen er daarna mensen met grote foto’s van Hennis, met teksten erop als ‘thank you, thank you for conveying the truth’. Maar er zijn politici die boos zijn. De VN, vinden ze, is in Irak om te helpen met de wederopbouw en verzoening. Niet voor zo’n politieke boodschap.

Minister van Buitenlandse Zaken Ali Alhakim wil dat ze langskomt, twee dagen na de speech. Hennis zegt tegen hem: „Ik ben er ook voor de mensenrechten, en dat verantwoordelijkheid wordt genomen voor misdaden, voor het geweld tegen Irakezen.”

Ze zegt ook tegen de minister dat ze snapt dat deze regering, die er nog maar net een jaar zit, niet zomaar alle problemen van Irak kan oplossen. „De waarheid moet wél gezegd worden, ook voor de mensen op straat. Ik kan mijn werk niet goed doen als zij me niet vertrouwen.”

Maar die foto’s van haar in de demonstraties? Ze is ineens wel héél zichtbaar.

„Vorige week werden er nog foto’s van mij verbrand”, zegt Jeanine Hennis. „En misschien gebeurt dat volgende week wel weer.”

 

Het jaar in tien interviews