Meisjes van Goede Herder krijgen excuses en erkenning van overheid

Dwangarbeid Minister Dekker reageert op de uitkomsten van onafhankelijk onderzoek naar het opsluiten en gedwongen laten werken van minderjarige meisjes door katholieke nonnen.

Foto Merlijn Doomernik

De meisjes van de Goede Herder krijgen „excuses, erkenning, hulp en ondersteuning van de overheid”. Dat zegt minister Dekker (Rechtsbescherming, VVD) in reactie op de uitkomst van een onafhankelijk onderzoek dat het opsluiten en gedwongen laten werken van minderjarige meisjes door katholieke nonnen betitelt als „dwangarbeid”.

De onderzoekers concluderen dat meisjes in de instellingen van de zusters van de Goede Herder aan ongeoorloofde vormen van dwangarbeid onderworpen zijn geweest. Of dat voor alle meisjes geldt, is niet duidelijk. Dat hangt onder meer af of een meisje via het strafrecht of civielrecht werd geplaatst.

Het is volgens de onderzoekers overigens maar de vraag of de in principe geoorloofde vorm van dwangarbeid voor strafrechtelijk geplaatste meisjes wel de eis van redelijkheid en proportionaliteit kon doorstaan, omdat de meisjes minderjarig waren.

Lees ook De meisjes van de Goede Herder

Volgens de onderzoekers blijkt uit de verslagen van de vijftig vrouwen die zijn geïnterviewd dat voor alle geplaatste groepen redelijkheidseisen werden overschreden, terwijl ook aan een aantal formele eisen in het toenmalige nationale juridische kader niet werd voldaan.

De overheid had volgens de onderzoekers een „sterkere rol moeten en kunnen spelen”, maar liet het over aan de Katholieke Kerk. Zo ontkwamen de instellingen van De Goede Herder aan overheidstoezicht.

15.000 meisjes en vrouwen

Tussen 1860 en 1978 moesten zeker 15.000 meisjes en vrouwen in Nederland dwangarbeid verrichten in wasserijen en naaiateliers van de zusters in Tilburg, Zoeterwoude, Almelo en het Gelderse Velp, bleek vorig jaar uit onderzoek van NRC.

De zusters kwamen begin deze eeuw al in Ierland in opspraak wegens de uitbuiting van meisjes in wasserijen. De Ierse regering liet onderzoek doen, erkende schuld en betaalde compensatie. In Nederland weigerde minister Dekker dit eerder.

Pas na aandringen vanuit de Tweede Kamer liet hij afgelopen zomer nader onderzoek doen naar de omstandigheden in de kloosters van de Goede Herder door de hoogleraren Mijke Houwerzijl en Guus Heerma van Voss. Hun rapport is donderdag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Daaruit blijkt nu dat inderdaad sprake was van dwangarbeid, hetgeen in strijd was met de destijds geldende conventies 29 en 105 van de Internationale arbeidsorganisatie (IAO) en bepalingen in artikel 4 en 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Genadeloos uitgebuit

De conclusies van het eindrapport sluiten aan bij de uitkomst van een eerder dit jaar gepubliceerd onderzoek van Jan van Dijk, hoogleraar victimologie aan de Tilburg University. Hij concludeerde dat de meisjes „genadeloos zijn uitgebuit” en achtte de overheid medeverantwoordelijk.

De meisjes moesten onbetaald zwaar en eentonig werk verrichten in wasserijen en naaiateliers en hadden veel huishoudelijke taken tijdens lange en strak ingedeelde dagen. Het regime van zwaar en structureel werken gold voor alle meisjes. Daarbij was er een volledig gebrek aan privacy, een gebrek aan individuele ruimte door de absolute eis van gehoorzaamheid en een schrijnend gebrek aan persoonlijke en liefdevolle aandacht.

Volgens minister Dekker is nu „erkenning van slachtofferschap op zijn plaats”. Volgens hem moet de erkenning in eerste instantie komen van de instellingen van de Goede Herder zelf.

Nonnen aansprakelijk gesteld

Vrouwen die als meisje in wasserijen en naaiateliers dwangarbeid deden, hebben de congregatie begin dit jaar aansprakelijk gesteld. Ze eisen erkenning van de misstanden, nabetaling van loon en compensatie voor de materiële en immateriële schade. De nonnen weigeren een schikking. Het opsluiten en laten werken van minderjarige meisjes paste in pedagogische opvattingen van destijds, aldus de advocaat van de congregatie.

Volgens minister Dekker moet ook de overheid erkenning bieden. „Ik vind het pijnlijk om te moeten constateren dat kwetsbare meisjes onderworpen zijn geweest aan een strikt regime met zwaar en eentonig werk in een weinig liefdevolle en vaak ook bestraffende omgeving.”

Dekker geeft toe dat door het ontbreken van het overheidstoezicht de situatie in de instellingen kon bestaan en kon voortduren. „Excuses, erkenning, hulp en ondersteuning van de overheid zijn hier op zijn plaats. Te meer omdat uit de opgetekende verhalen blijkt hoe het stempel dat de meisjes door verblijf in De Goede Herder meekregen hun leven toen heeft beïnvloed en dat soms tot op de dag van vandaag nog steeds doet.”

Het bestuur van de Stichting Kinderdwangarbeid Meisjes Goede Herder dringt bij minister Dekker aan op spoedige invoering van een schadevergoedingsregeling voor voormalige pupillen van de instellingen van de Goede Herder. De stichting vertegenwoordigt 140 lotgenoten.