Opinie

Kerstmis

Column

Marcel van Roosmalen

Voor mijn moeder hoefden we het niet meer te doen, maar ik geloof dat we zelf de behoefte voelen aan een afronding, een kroon op al die mislukte feestelijk bedoelde bijeenkomsten, een deksel op de put. Anders kan ik de vraag van mijn broer en zus om op Eerste Kerstdag een restaurant in Velp voor de hele handel te regelen niet verklaren. Ik had meteen ‘ja’ gezegd.

Ja, ik ging een restaurant in Velp regelen.

Een restaurant in Velp…

Het zal wel weer Chin. Ind. Rest. Blue Lotus worden.

Tafeltje met uitzicht op het parkeerterrein, net als vroeger.

De laatste keer daar met mijn moeder zei ze: „Het is toch net New York.”

Inmiddels is ze verder weg.

In haar hoofd is ze op een lange vakantie, laatste tussenstop in een verpleegtehuis, maar voor haar is het een hotel.

„Zwitserland zonder bergen.”

We zullen haar er even uithalen, naar binnen takelen, op een troon zetten en na afloop weer terugbrengen.

Dan het bekende patroon van onvermogen waar we schijnbaar zo aan hechten: het gezellig willen doen, maar het weer niet kunnen.

Allemaal hetzelfde bestellen, vooraf heel veel kroepoek naar binnen proppen en dan dat veel te snelle eten dat er bij ons allemaal zit ingebakken.

Het omzichtig vragen naar de bekende weg.

In tegenstelling tot vroeger: geen ruzie.

Er zijn nog wel ergernissen, maar zodra die aan de oppervlakte dreigen te komen, doen we keurig de oogkleppen op. De puist wordt geconstateerd maar niet uitgeknepen. Vroeger werd ieder pijnpunt genadeloos benoemd, nu kauwen we het weg en slikken het door.

De onuitgesproken vraag die op tafel ligt is: hoe gaan we dit straks doen? Als ze er niet meer is, wat feitelijk al zo is, want de soms narrige vrouw bij ons aan tafel lijkt nog maar weinig op mijn moeder. Nu doen we dit zogenaamd nog voor haar, maar komen we nog bij elkaar als ze er straks ook fysiek niet meer is? Of lossen we op in onze eigen levens?

Ik weet het ontluisterende antwoord al wel.

De rest van onze levens zullen we ons met de kerstdagen naar Velp slepen, want elkaars woningen vinden we te ver, te klein of te onpersoonlijk. Velp is de drooggevallen put waar we jaarlijks samen komen om te constateren dat er weer geen water in zit. Het valt nooit mee, het valt nooit tegen, we zien er als een berg tegenop, maar het jaar erop gaan we weer, we kunnen niet zonder.

Ik gun iedereen een Velp en verheug me op de dag dat de kinderen er geen zin in hebben om daarnaartoe te moeten.