Recensie

Recensie

Hoe is God te verenigen met het postmoderne begrip van waarheid?

Kerstmis Twee theologen onderzoeken de vraag hoe God te verenigen valt met het postmoderne begrip van waarheid. Blijft het geloof dan nog iets meer dan een nuttige fictie?

Kiosk met christelijke lectuur op de boulevard van Scheveningen
Kiosk met christelijke lectuur op de boulevard van Scheveningen Foto Flip Franssen

Het werd hoog tijd dat iemand het eens opnam voor de Heidelbergse Catechismus (1563). Voor het protestantse belijdenisgeschrift dus met die beruchte stelling over ons mensen die ‘ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ (Zondag 3) en zelfs van nature geneigd om ‘God en mijn naaste te haten’ (Zondag 2).

Dat druist in tegen alle moderne sensibiliteit, waarin de nadruk ligt op autonomie, goede bedoelingen en zelfontplooiing. In Maarten ’t Harts Een vlucht regenwulpen heet de catechismus dan ook het boek van ‘een god die mensen zo intens haat dat hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden’. Dat slaat op de ‘voorzienigheid Gods’, wiens ‘vaderlijke Hand’ ons alles doet ‘toekomen’ (Zondag 10).

‘Troostboek’

Hoe kan zulke zwartgalligheid dan doorgaan voor een ‘troostboek’? Dat kan heel goed, betoogt Wouter Slob, predikant en emeritus-hoogleraar theologie in Groningen, in Van God spreken, de weerslag van gesprekken tussen hem en journalist Job van Schaik. Want na die aftrap in misantropie volgen veel langere delen over de genade Gods. De zwartgalligheid is zo bezien eerder een oefening in reculer pour mieux sauter.

Dat is volgens Slob een welkome boodschap in een meritocratische samenleving, waarin iedereen permanent onder druk staat om te presteren en zichzelf te vervolmaken. Het besef van menselijke onvolkomenheid dat de Catechismus uitdraagt, is een medicijn tegen de dwingelandij van een doorgeslagen individualisme waarin elk falen of gebrek niet alleen een ramp is, maar vooral je eigen schuld. Dat is goed bedacht door Slob, al zou je zeggen: ook toen de overspannen meritocratie nog in de kinderschoenen stond, had de Catechismus best een punt.

Volgens Slob ontleent religieuze taal betekenis aan de ‘geleefde’ werkelijkheid, niet aan objectieve feiten

Daarmee is Slob (1965) nog geen ouderwetse calvinist – integendeel. Hij hoort bij een lichting theologen die allang afscheid hebben genomen van de dogmatiek maar die religie niettemin met overtuiging verdedigen. Oók tegen al te vrijzinnige geesten die er louter een nuttige fictie of ongeneeslijke’ behoefte in zien. Eerder stelde Slob met twee vakgenoten het boek Liberaal christendom (2016) samen, met een vergelijkbare boodschap. God als de almachtige Meester van het Universum voldoet niet meer, maar dat betekent niet dat Hij spoorloos is verdwenen.

In dit boek toont hij zich – behoedzaam – aangetrokken tot een ‘panentheïsme’ dat de betekenis van God zoekt in de menselijke leefwereld. Daarmee komt hij in de buurt van andere ‘post-theïsten’, zoals de religiefilosoof John Caputo, die zichzelf een ‘postmoderne pelgrim’ noemt.

Pelgrimage

Om aan die pelgrimage te kunnen beginnen, moeten christelijke denkers eerst hun theologische taal bevrijden van de pretentie dat daarin de absolute waarheid is gedicteerd. Volgens Slob, die promoveerde op het waarheidsbegrip, ontleent religieuze taal betekenis aan de ‘geleefde’ werkelijkheid, niet aan objectieve feiten.

Net als andere post-dogmatische theologen, beroept Slob zich daarbij graag op filosofische inzichten over het contextuele karakter van waarheid en betekenis. Met name in de continentale filosofie is volgens hem de pretentie om een objectieve, van de mens ‘onafhankelijke’ waarheid weer te geven, aan diggelen gegaan. Vandaar de titel van zijn boek: Slob wil niet spreken ‘over God’, dus als een soort object, maar ‘van’ God (inclusief de ambivalentie dat dit spreken dus ook ‘goddelijk’ kan zijn).

Nu is het idee dat religie van een andere orde is dan harde wetenschap, inmiddels wel gemeengoed. Maar je kunt je afvragen of een openbaringsgodsdienst als het christendom helemaal zonder cognitieve kern kan, om te beginnen de historische feiten rond Jezus waarvan ook Slob het belang niet zal betwijfelen. Bovendien, bij theologisch leentjebuur spelen bij filosofen als Quine, Wittgenstein en Frege blijft het – kerkelijk gesproken – altijd zaak op te letten voor wie de klok nu eigenlijk luidt. In zijn levendige gesprekken met Van Schaik (‘Dit gaat me te snel. Hoe bedoel je dat?’) blijkt Slob wijsgerig goed bij de les, maar interpreteert hij ook eenzijdig en maakt hij soms rare vergissingen.

Slob maakt veel werk van de tweedeling in subject en object die volgens hem de moderne filosofie kenmerkt en die nu achterhaald zou zijn

Zo meent hij dat Frege en Russell logica wilden ‘funderen’ in de wiskunde. Maar het is andersom. Frege wilde de grondslagen van de wiskunde funderen in de logica, om wiskundige begrippen exact te kunnen definiëren en niet in vage spreektaal.

Zulke analytische filosofen neigen ook veel minder naar het afwijzen van begrippen als waarheid en objectiviteit dan sommige continentale of postmoderne denkers. Slob maakt veel werk van de tweedeling in subject en object die volgens hem de moderne filosofie kenmerkt en die nu achterhaald zou zijn. Maar je kunt heel goed objectiviteit verdedigen zonder het ‘onmenselijk’ te maken.

Toch beseft Slob ook wel dat je niet al te postmodern moet worden over waarheid. Want, waarschuwt hij terecht, dan blijf je nergens met kritiek op Trumps alternative facts.

We lazen eerder ook andere boeken met het thema ‘waarheid’

Ondanks of juist mét zulke bedenkingen, is Van God spreken een prikkelende en toegankelijke dialoog over religie in seculiere tijden – al zal niet iedereen de bij vlagen belerende toon een boek lang kunnen verdragen. Het is ook onbeschroomd christelijk: Jezus blijft hier aan zet.

Ook de productieve oud-Theoloog des Vaderlands en VU-hoogleraar Stefan Paas maakt zich in Het goede leven sterk voor de rol van theologie in het maatschappelijk debat én aan de universiteit. Wie theologie afdoet als ‘onwetenschappelijk’ moet zich afvragen waarom letteren of filosofie dan bijvoorbeeld nog wél aan de universiteit zouden thuishoren.

Wel rijst dan de vraag: wat is het object van theologie? Het verschijnsel religie, de christelijke boodschap? Voor Paas is theologie in elk geval onmisbaar als reflectie op de bronnen van onze cultuur. In het besef dat menselijk inzicht altijd onvolledig, voorlopig en behoeftig is.

En ook dat laatste is eigenlijk niks nieuws, als je dat hatelijke troostboek uit Heidelberg erbij pakt.

Correctie (25 december 2019): In een eerdere versie van dit bericht waren de beoordelingen verwisseld. Het boek van Slob en Van Schaik kreeg vier ballen van de recensent, het boek van Paas drie.