‘Ik kies altijd projecten die net te moeilijk zijn’

Michiel van Erp Niemand in de stad, de eerste speelfilm van Michiel van Erp, kreeg negen Gouden Kalveren-nominaties. Dit jaar draaide hij I.M., naar het boek van Connie Palmen. „Wat ik maak, is steeds persoonlijker geworden.”

Foto Lars van den Brink

Woensdag 26 juni, café Weesper.
Op de grens van Amsterdam-Oost en de Rivierenbuurt, een paar deuren verwijderd van zijn productiehuis De Familie Film & TV. Het is een van die warme dagen en we zijn op het terras aan het water gaan zitten.

„Ik heb besloten mezelf niet meer als groentje op te stellen, mezelf klein te maken”, antwoordt Michiel van Erp op mijn vraag hoe hij als filmmaker in de loop der jaren is veranderd. „Als je de filmacademie wél hebt gedaan, weet je precies wat een gaffer doet. Dat is… oh…” Hij zoekt het op op zijn telefoon: een gaffer is verantwoordelijk voor licht en elektriciteit op de filmset „Wat een focus puller is, weet ik dan weer wel: degene naast de cameraman die het beeld scherpstelt. Maar goed, ik ga me dus niet meer generen als ik iets niet weet.”

Vorig jaar draaide zijn eerste speelfilm in de bioscopen: Niemand in de Stad, naar het boek van Philip Huff. Het ITA-ensemble, beter bekend onder hun oude naam Toneelgroep Amsterdam, speelt op dit moment Het Hout, zijn toneelbewerking van het boek van Jeroen Brouwers. Maar 2019 is voor Van Erp bovenal het jaar waarin hij I.M. draait, zijn moeilijkste project tot nu toe: een dramaserie voor tv, gebaseerd op de roman van Connie Palmen uit 1998 over haar liefde met journalist en interviewer Ischa Meijer.

Michiel van Erp, een van de belangrijkste Nederlandse regisseurs van dit moment, richt zich meer en meer op drama, en minder op documentaires. Bovendien lijkt hij minder cynisch te zijn geworden, minder ironisch dan bijvoorbeeld in de Lang Leve…-serie waarmee hij eind jaren negentig naam maakte. Licht gekscherende portretten van ‘gewone mensen’ waren dat, portretten waarin hij meer dan eens van een toch wel aanzienlijke afstand, buiten beeld, over straat een vraag naar iemand riep. Zoiets als: ‘En?! Denk je nog vaak aan je overleden vader?!’ Waarop de geïnterviewde dan wat onbeholpen en verloren antwoord moest geven.

Dat is anders nu. Hij neemt zichzelf, en zijn onderwerp, serieus.

Al roerend in zijn koffie verkeerd is Van Erp vooral nog in gedachten bij de première van zijn documentaire Erwin Olaf - The Legacy. Zijn tweede documentaire over de fotograaf; in 2009 maakte hij ook een portret van hem. Een „emotionele avond” was het in DeLaMar, drie dagen geleden. „Erwin kan redelijk afstandelijk naar zichzelf kijken, maar dit kwam loeihard bij hem binnen.” De fotograaf, dit jaar zestig geworden, heeft steeds meer te lijden van zijn progressieve longemfyseem, wat Van Erp laat zien zonder dat er een zuurstofapparaat of plastic slangetje rond de neus in beeld komt - „Te flauw”.

„Ik ben begaan met Erwin, maar tegelijkertijd maak ik het portret zoals ik denk dat het klopt.” Van Erp vertelt over de aanleiding van de docu: „Vorig jaar belde hij me op: er gaat veel gebeuren, zei hij, misschien kan je er wat mee. Toen ik bij hem langsging, vertelde hij me dat hij bijna 500 werken aan het Rijksmuseum zou overdragen. Goh, ben je al klaar dan, vroeg ik. Erwin zuchtte heel diep en zei: Ja, zo voelt het. Ik zag alle energie uit zijn lijf wegtrekken en dacht: daar gaat de nieuwe documentaire over, over vergankelijkheid, van je werk, van je lichaam.”

Over twee maanden gaat Van Erp de dramaserie I.M. draaien. Een vierdelige serie over de vijf jaar durende liefde tussen Palmen en Ischa Meijer, die eindigde toen de laatste in 1995 op 52-jarige leeftijd overleed. „Het is weer een heel nieuw avontuur.” Gekmakend, vindt hij dat. „Gisteravond hadden we een haarsessie met Wende Snijders die Connie Palmen gaat spelen. Er moest een goede pruik komen, en dat detail alleen al bleek een lastige kwestie. Hoe doe je Connie’s haar na? Dan denk ik: oh mijn God, komt dit goed?”

Zo ook afgelopen vrijdag. Op „zo’n chic Amsterdam-Zuid poepelefoep-feest” kwamen mensen naar hem toe. Of hij er wel voor zorgde dat Ischa Meijer goed uit de verf kwam, „want ja, Ischa was van joodse afkomst en nu gaat Ramsey Nasr hem spelen, en dat is een Palestijn…” Van Erp steekt een sigaret op. „Ik kies altijd projecten die net te moeilijk voor me zijn.”

„Connie woont in het huis van Hans van Mierlo, dat is bij mij om de hoek”, antwoordt Van Erp op de vraag hoe hij op het idee kwam haar boek I.M. te verfilmen. „Ik kom haar nog weleens op straat tegen, of bij een voorstelling. We wonen midden in Amsterdam, hebben allebei een wijde culturele blik. En mijn overbuurvrouw besloot twee jaar geleden om een soort buurtclub op te richten, hoe zal ik het noemen, een soort buurtdinerclubje met creatieve mensen. Ja, het klinkt afschuwelijk als ik het zo zeg, maar wij waren er ook. Ik had het daar met Connie over boekverfilmingen en ik zei: waarom is I.M. nog nooit verfilmd? Zij zei: dat weet ik ook niet.”

Het idee beklijfde. Van Erp zag parallellen met zijn serie over de jonge jaren van zanger/acteur Ramses Shaffy: beiden beroemde excentriekelingen die moeite hebben zich aan een geliefde over te geven. „In Ischa zit een Ramses. Dat iets te veel zijn voor de wereld, dat had Ischa ook.” Hij kwam erachter dat een aantal mensen eerder al met een verfilming van I.M. begonnen was, en om verschillende redenen weer was gestopt. „Dus Connie was daar een klein beetje onduidelijk over geweest. Ze dacht: eens kijken wat die Van Erp doet. Ik heb doorgezet.”

Foto Lars van den Brink

Maandag 9 september, bekendmaking van de Gouden Kalveren-nominaties.
Niemand in de Stad wordt negenmaal genomineerd, onder meer voor ‘Beste film’ en ‘Beste regie’.

Maandag 23 september, Reestraat in Amsterdam, acht uur ’s avonds.
Opnames van de ‘poepscène’. De straat waaraan de voormalige woning van Ischa Meijer ligt, is afgezet en staat vol mensen van de filmploeg. De kerstverlichting is gefilmd en weer weggehaald. De stenen zijn nog nat van de wetdown – natgespoten staat een straat mooier op beeld, legt Van Erp uit. Marnie Blok, uitgeroepen tot regie-assistent maar vooral zijn min of meer vaste scenarioschrijver, loopt (of beter: rent) net als Van Erp constant rond, van acteur, naar cameraman, lichtman, bijrolacteur en terug. Met elk een dik boek met een rode, stoffen kaft onder hun arm dat ze meer dan eens ergens laten slingeren, waarop iemand het hen achterna brengt. Het is het scenario.

Wende Snijders – met Connie Palmen-haar – vertelt dat zij de „typische Van Erp-combinatie van romantiek en iets rauws” ook in deze verfilming terugziet. Net als de humor, en dat het altijd over Nederland gaat, „over hoe we proberen te leven met z’n allen”.

De poepscène. In het boek van Palmen is het de eerste en meest iconische alinea: Als zij en Ischa Meijer elkaar in de Reestraat ontmoeten, poepen ze gelijktijdig in hun broek.

Van Erp wil de scène op straat filmen, als twee verstard staande cowboys in een western-duel. „Connie vroeg nog: moet dat er echt in?” vertelt Van Erp terwijl hij via het scherm bij de cameraman meekijkt. „Ik zei: Connie, je hebt het zelf geschreven, iedereen begint erover. Ik kan het er echt niet níet in doen.”

Connie (Wende Snijders dus) stapt uit een Bentley en loopt naar het huis van Ischa Meijer waar Ramsey Nasr, in een jas die zijn dikke buik nauwelijks verhult, voor de deur staat te wachten. De scène moet een paar keer over. Hoe verbeeld je dat je in je broek poept?

Die Bentley, trouwens, heeft Van Erp erbij verzonnen, vertelt hij als take vijf erop staat. In zijn versie is de auto met chauffeur een cadeau van de uitgever. Zo bedacht Van Erp ook dat Connie en Ischa op het strand een lied zingen, een scène die doet denken aan de musicalfilm La La Land. En heeft hij een uitgebreide scène gefilmd waarbij Connie voor Ischa Marilyn Monroe nadoet, als verrassing voor zijn verjaardag. „In het boek is dat laatste slechts één zin. Ik heb dat groot gemaakt. Connie’s roman is haar versie van hun liefdesrelatie, de serie is weer mijn interpretatie van haar roman.”

Woensdag 2 oktober, premièreavond van De wereld aan je voeten, Rembrandtbioscoop, Utrecht.
Van Erp rookt een sigaret voor de ingang van de bioscoop. Hij heeft „Kalveren-zenuwen”. Vandaag heeft hij voor I.M. gedraaid, hij heeft deze week al twee andere premières gehad en nu dus deze nog. De wereld aan je voeten is een documentaire waarvoor hij acht jaar lang een aantal Utrechtse tieners volgde, van hun elfde tot hun achttiende. De zaal zit vol filmliefhebbers en familie. De gesprekken met de achttienjarigen zijn serieuzer en opener dan toen de kinderen jonger waren. Je ziet de kinderen groeien, maar ook Van Erp als filmmaker veranderen. „Zo’n film als deze zal ik niet snel meer maken”, zegt hij als de bioscoop is leeggelopen. „Het was een langdurig project. Bovendien, bij een documentaire staat de geportretteerde of het onderwerp natuurlijk centraal. Nu probeer ik de dingen die ik maak dichter bij mezelf en mijn belevingswereld te houden.”

Vrijdag 4 oktober, Gala-avond van het Nederlands Film Festival.
Niemand in de Stad
krijgt twee Gouden Kalveren, voor ‘Beste vrouwelijke bijrol’ en ‘Beste camera’. Twee van de negen. ‘Beste film’ en ‘Beste regie’ gaan naar Dirty God van Sacha Polak.

Zaterdag 5 oktober.
Ik mail Michiel van Erp dat ik het jammer vind dat de belofte van negen stuks met slechts twee prijzen is ingelost. Geen reactie.

Dinsdag 26 november, vijf maanden na onze eerste afspraak.
Ik ontmoet hem bij zijn kantoor van De Familie Film & TV en we lopen weer naar het café een paar deuren verderop. We gaan binnen zitten, het is te koud buiten. Het terras is weg. Van Erp is net terug uit de Verenigde Staten – San Francisco en Santa Barbara – waar hij de laatste scènes voor I.M. heeft gedraaid. De wrap party was gisteren, de „I.M.-familie” is opgebroken, Van Erp gaat aan de slag met de postproductie. Montage, kleurcorrectie, geluid.

Je werk was vroeger meer spottend, zeg ik. Was het cynisme? „Nee, ik ben nooit cynisch geweest. Dat denken mensen altijd wel, maar dat is niet zo. Het kwam er altijd wel grappig uit, zal ik maar zeggen, maar dat was niet de insteek. Dat was, ís, dat mensen leuk zijn. Dat een goed gesprek met de buurvrouw net zo interessant kan zijn als met een popartiest. Ik wilde het mooie van het gewone leven laten zien.”

Met drama, zo ontdekte hij, met acteurs, kan hij veel meer zijn eigen verhaal vertellen. En dat is wat hij wil. „Het heeft met zekerheid te maken”, vertelt hij. „De dingen die ik maak zijn steeds persoonlijker geworden. Dat komt ook doordat ik meer zelfvertrouwen heb gekregen. Ik had best veel succes met dat documentairewerk moet ik zeggen, en daardoor durfde ik meer van mezelf te laten zien. Dat gaat dan niet alleen over een overstap van documentaire naar drama. Zo’n documentaire over Erwin Olaf had ik tien jaar geleden ook niet zo kunnen maken. Ik denk niet dat ik het zo klein en kwetsbaar had durven houden, zonder te vervallen in oude trucs, zoals dat heen en weer schreeuwen over straat.”

Hij bestelt een tweede cappuccino. Van avontuur houdt hij, van extremen, van mensen die grenzen opzoeken. Ramses ging daarover. I.M. ook. „Ischa was een enorme lawaaipapegaai en tegelijkertijd heel emotioneel en kwetsbaar.”

Zit er in Van Erp meer een Connie of een Ischa? Een Connie, zegt hij meteen. „In de zin dat ik me wil laven aan zo’n extreme persoonlijkheid als Ischa. In de serie Ramses was ik Joop Admiraal.”

En die twee Kalveren? „Ik was natuurlijk hartstikke teleurgesteld. Je start als een soort winnaar en je eindigt als een verliezer. Maar na een paar dagen denk ik: goh, volgend jaar staan we er weer, bij wijze van spreken.” Die kans bestaat, zij het niet in al 2020: Van Erp gaat komend jaar Een schitterend gebrek verfilmen, naar het boek van Arthur Japin. Het is een film die Erwin Olaf al jaren wilde maken, maar dat lukt hem vanwege zijn ziekte niet meer. Nu hebben Olaf en Japin hem gevraagd om het te doen.

Ook geen makkelijke opdracht. Waarom kiest hij, zoals hij zelf zei, altijd projecten die net te moeilijk voor hem zijn? „Anders verveel ik me. Of, vervelen is niet het goede woord… het boek is geweldig en het kan een mooie film worden. Nou ja. Ik doe het om mezelf uit te dagen. Dat er altijd die angst is om op je bek te gaan. Lijk ik toch wel een extreem leven te leiden.”

 

Het jaar in tien interviews