‘Holleeder is nog niet helemaal uit mijn hoofd’

Frank Wieland Rechter Frank Wieland veroordeelde begin juli Willem Holleeder tot levenslang. Een dag later begon zijn pensioen. „Ik heb geprobeerd een goede band met de verdachte op te bouwen.”

Foto Lars van den Brink

Frank Wieland is die ochtend op zoek naar een parkeerplaats bij de rechtbank in Amsterdam als om tien over negen een advocaat hem belt. Frank, heb je het gehoord? vraagt hij. Ze hebben Derk Wiersum doodgeschoten. Nu wordt alles anders.

„Hij was zeer ontdaan”, vertelt Wieland. „En daar schrok ik weer van.”

Twee dagen voor de moord op Wiersum, advocaat van kroongetuige Nabil B. in het liquidatieproces Marengo, heeft de 70-jarige Wieland bij zijn officiële afscheid als rechter een koninklijke onderscheiding gekregen: Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Na de receptie heeft hij zijn lintje op de rechtbank laten liggen. Daarom gaat hij die woensdag 18 september nog even langs op zijn oude werkplek. „Er hing een verslagen sfeer”, vertelt hij. Bodes groetten met wit weggetrokken gezichten. Zittingen waren aangehouden. „Toen werd me duidelijk dat die advocaat gelijk had. Ik moest aan de collega’s denken die deze zaak behandelen. Zou ik stoppen of doorgaan? Dat schoot door mijn hoofd.”

Het is een vraag die hij zichzelf nog nooit had gesteld, ook niet in het bijna vijf jaar durende proces tegen crimineel kopstuk Willem Holleeder. Twee weken voor zijn afscheid droeg Wieland het vonnis voor in die zaak. Op NPO 1 was live te volgen dat hij Willem Holleeder een levenslange gevangenisstraf oplegde.

Hij deed dat ogenschijnlijk zonder emotie. Maar ook voor iemand met ruim dertig jaar ervaring is het een zware verantwoordelijkheid een verdachte tot levenslang te veroordelen. „Levenslang is het voorportaal van de doodstraf. Dat is nogal wat.”

Als hij begint te vertellen over de eerste keer dat hij die straf heeft opgelegd – als rechter op de Nederlandse Antillen – springen de tranen in zijn ogen. Hij zwijgt even en neemt een paar slokken water. Het ging om een Colombiaanse man die op Curaçao drie vastgebonden mensen door het hoofd had geschoten. „Het leek een passende straf voor een gruwelijke daad. Maar toen ik de reactie van die jongeman zag, kreeg ik het te kwaad. Was dit de goede straf voor een man van vroeg in de twintig? Verdiende hij het echt om zijn hele leven in een cel te zitten?”

De man is in hoger beroep gegaan, vervolgt Wieland. „Tot mijn opluchting heeft het hof de levenslange straf omgezet naar dertig jaar cel. Ook in zo’n zaak moet er voor een verdachte van die leeftijd een streepje aan de horizon zijn, luidde de redenering.”

Dat vonnis stamt uit het begin van deze eeuw. Waarom raakt het u nog zo?

„Ik ben opgeleid met het idee dat rechters geen macht hebben en slechts de regels toepassen. Maar op het moment dat je merkt hoe groot de impact kan zijn van een beslissing, kom je erachter hoe machtig het instrumentarium is dat je als rechter tot je beschikking hebt. Dat is soms beklemmend. Het speelt niet alleen bij zaken waar het om levenslang gaat. Soms kun je na een zitting van anderhalf uur een beslissing nemen die voor de rest van het leven van een verdachte gevolgen heeft. Rechters hebben een enorme verantwoordelijkheid. Dat geldt voor die jonge Colombiaan, maar ook voor een crimineel met een strafblad als Willem Holleeder.”

Heeft u ooit getwijfeld in de Holleederzaak?

„Ja. Bij aanvang van de zaak speelde voor mij nadrukkelijk het gegeven dat Holleeder niet tegelijkertijd met een groep medeverdachten is vervolgd voor liquidaties die zijn gepleegd tussen 2003 en 2006. Kennelijk was de zaak tegen Holleeder destijds niet sterk genoeg. Dat neem je mee als je je gaat verdiepen in een serie moorden waarvan de eerste in 2003 is gepleegd.”

Wat heeft u toch overtuigd van zijn schuld?

„Er zijn twee kroongetuigen die sindsdien belastend over Holleeder hebben verklaard. Daarnaast hebben Astrid en Sonja Holleeder belastende getuigenissen over hun broer afgelegd, die bovendien werden ondersteund door bandopnames van gesprekken tussen Willem Holleeder en zijn zus Astrid. Mede op grond daarvan heeft het Openbaar Ministerie bewijsconstructies geformuleerd die de rechtbank heeft overgenomen.”

Holleeder had veel kritiek op uw vonnis. U zou vooringenomen zijn geweest en zich hebben laten beïnvloeden door de media. Raakt dat u?

„Nee. Maar ik begrijp het wel. Ik ben de zaak tegen Holleeder onbevangen ingegaan en heb geprobeerd een goede band met de verdachte op te bouwen. In dit grote dossier waarbij het schier onmogelijk is om alles wat op papier staat te behandelen, is dat van groot belang: wat is Holleeders versie van het verhaal? Ondanks alle emotie en spanning tussen de verdachte en zijn twee zussen is het gelukt om een open gesprek te hebben met Holleeder. Er was ruimte voor een grap en een kwinkslag. Een prettige sfeer schept bij de verdachte misschien verwachtingen voor het vonnis, maar voor mij werkt het niet zo. Ik ga bij een ontkennende verdachte uit van zijn onschuld totdat het tegendeel bewezen is. Het oordeel komt helemaal aan het einde. In het vonnis leggen we daarover verantwoording af, aan de verdachte én aan de samenleving. Ik lig er niet wakker van dat Holleeder kritiek heeft. Hij gaat in hoger beroep, dat is zijn goed recht. En als het hof tot een andere conclusie komt, is dat zo. Dat hoort ook bij het vak.”

Foto Lars van den Brink

Frank Wieland is een kind van de wederopbouw. Hij werd geboren in Gorinchem op 14 juli 1949 als de jongste zoon in een gezin met vijf jongens. Zijn vader werkte als directeur bij een staalconstructiebedrijf. „Ik ben in welvaart opgegroeid, zeker voor die tijd. Maar mijn vader werkte hard en had weinig tijd voor ons. Ik was geen lastige jongen, maar worstelde wel met het leven. Ik had het moeilijk met mezelf, was onzeker over mijn seksuele geaardheid. Tijdens die innerlijke strijd heb ik mijn vader wel gemist, al heb ik toen ook geleerd om zelf actief te zijn en op zoek te gaan naar antwoorden.”

Wieland deed eerst mulo en daarna hbs en was 21 toen hij naar Utrecht trok om rechten te studeren. „Ik heb lang getwijfeld over geneeskunde, zelfs toen ik al studeerde. Ik vond de studie rechten gortdroog en al mijn vrienden studeerden geneeskunde. Toen ik mijn vader vroeg of ik mocht wisselen zei hij: prima, maar eerst je rechtenstudie afmaken. Toen ik op mijn 27ste afstudeerde, wilde ik weg uit Utrecht en gaan werken.”

Wieland twijfelde enorm aan zichzelf. Bij sollicitaties had hij het idee dat niemand op hem zat te wachten. „Tot mijn verrassing werd ik aangenomen bij een advocatenkantoor in Groningen. Achteraf een goede keuze. Ik heb daar mijn partner Edwin Daniël leren kennen. Acht jaar later ben ik gevraagd strafrechter te worden. Twee belangrijke stappen in de zoektocht naar mezelf.”

Is de twijfel belangrijk geweest voor uw werk als rechter?

„Ik was een gevoelig kind, voor mij was alles een vraagteken. Het zoeken naar antwoorden wordt dan een tweede natuur. En dat helpt wel bij het werk van een rechter: je moet je verdiepen in een ander. Een collega in Amsterdam omschreef me als een begrijpende rechter. Hij hield me voor dat empathie voor de verdachte geen slechte eigenschap is, maar dat een rechter wel altijd kritisch vragen aan die verdachte moet blijven stellen. Door dat te combineren heb ik mijn eigen stijl als rechter kunnen vinden. De manier waarop je verdachten bejegent moet iets opleveren. Dat ik aan het einde van mijn carrière ben gevraagd voor de Holleederzaak is voor mij een erkenning geweest voor de manier waarop ik mijn zaken doe. Al zal ook hebben meegespeeld dat ik gewend ben aan omgang met de media – ik ben lang persrechter geweest – en gezien mijn leeftijd een kleiner afbreukrisico had. Om het met de woorden van Holleeder te zeggen: ik laat me de pis niet lauw maken.”

Wat is er veranderd in de tijd dat u rechter bent geweest?

„Om te beginnen zijn we als instituut beter gaan communiceren en staan we in directer contact met het publiek. Ik vind dat belangrijk, omdat de wereld om ons heen steeds complexer wordt. Rechters opereren zonder last of ruggespraak en daarom is het essentieel dat we via vonnissen verantwoording afleggen aan de samenleving. Gelukkig is het vertrouwen dat burgers in rechters hebben nog steeds heel groot. Dat moeten we koesteren, omdat mensen vrijwel niets meer van elkaar accepteren. Je ziet dat vaak terug in kleine strafzaken. Mensen kruipen meteen in een slachtofferrol als er iets fout gaat. Ze kijken niet snel naar zichzelf maar klagen en willen schadevergoeding.”

Wat vindt u van de toegenomen aandacht voor het slachtoffer in de rechtspraak?

„Dat is een belangrijke ontwikkeling. Toen ik begon als rechter wisten we ons op de zitting vaak geen raad met het slachtoffer. Vanwege de wettelijke regels waren we vooral bezig met de persoon van de verdachte. Ik kan me nog een taxichauffeur herinneren die was mishandeld door een klant. Toen ik aan de verdachte vroeg of hij nog iets tegen het slachtoffer wilde zeggen, keek hij in de richting van de taxichauffeur. Die schrok daar zo van dat hij in paniek de zaal uit rende nog voordat de verdachte zijn mond open had kunnen doen. Zoiets zal nu niet snel meer gebeuren. Slachtoffers worden beter begeleid en weten bij de start van het strafproces doorgaans wat hun te wachten staat. Dat is op zich een grote verbetering.”

Op zich? Daar klinkt twijfel?

„Dat klopt. Slachtoffers verdienen empathie, maar voor een rechter is dat soms lastig. Empathie voor het slachtoffer kan namelijk worden uitgelegd als vooringenomenheid tegenover de verdachte. En het is nu juist de rol van de rechter om niet vooringenomen kennis te nemen van de feiten en de daaraan gekoppelde juridische standpunten. Er is mijns inziens slecht nagedacht over de gevolgen van de wettelijke positie die het slachtoffer heeft gekregen in het strafproces. Nog voordat je de feiten hebt vastgesteld, moet je als rechter met de slachtoffers in gesprek. Dat kan lastig zijn. Wel empathie voor het slachtoffer maar geen oordeel over de dader. Alsof een rechter een Tefal-pan is waaraan niets blijft plakken.”

Heeft de aandacht voor het slachtoffer ook geleid tot hogere straffen?

„Ik weet het niet. Ik heb de indruk dat jongere rechters zwaarder straffen dan oudere. Maar misschien is de toename van de georganiseerde misdaad wel een belangrijkere verklaring. Wat ik zeker weet: zwaarder straffen is geen antwoord op die problematiek. Gevangenisstraf heeft, hoe terecht ook, grote gevolgen. Relaties gaan kapot, mensen raken vaak hun baan en huis kwijt. Eigen schuld? Ja, maar wat levert het op? Het creëert vooral meer recidive. Dáár zit de onmacht van het strafrecht. Straf is zelden een oplossing. Ik ben geen softie en ik kan hard reageren, maar harder straffen blijft een zwaktebod. Het is een teken dat je bent uitgepraat. Je kunt dan alleen maar nog harder. Voor je het weet ben je in de VS. Het leidt alleen maar tot meer en hardere criminaliteit.”

Toch is Willem Holleeder de vierde verdachte dit jaar die in Nederland levenslang heeft gekregen.

„Het is voor mij de bevestiging dat het tijd is voor bezinning. Denk je nou echt dat een levenslange celstraf mensen afschrikt die voor geld liquidaties plegen? Dát is het probleem waar we als samenleving een oplossing voor moeten vinden. Drugscriminaliteit heeft tot een normvervaging geleid die verder gaat dan we willen en dieper zit dan we vrezen. Jongens als de knul die Derk Wiersum heeft doodgeschoten, bereiken wij helemaal niet met zo’n vonnis. Maar soms kan het niet anders.”

U heeft uw lange carrière afgesloten met de grootste strafzaak denkbaar. Hoe is het dan om zo abrupt te stoppen met werken?

„Boeddhisme heeft me geleerd om het leven te accepteren zoals het komt. Maar dit was heftig. Een dag na de uitspraak zat ik thuis. En ik wist dat dat geen vakantie was. Het was ook een harde confrontatie met het feit dat ik zeventig ben geworden. Tegelijkertijd merk ik dat Willem Holleeder nog steeds niet helemaal uit mijn hoofd is. Als je zo lang intensief met iets bezig bent, kun je dat niet ineens achter je laten. Als ik een lezing geef voor rechtenstudenten merk ik dat ze willen weten hoe ik als mens de Holleederzaak heb beleefd. Misschien ga ik daar een boek over schrijven.”

 

Het jaar in tien interviews