Hof: verbod op straatintimidatie is in strijd met de grondwet

Het verbieden van naroepen en sissen is in strijd met de vrijheid van meningsuiting, luidde het oordeel van het hof.
De gemeente Rotterdam maakte een aantal jaar geleden een app om straatintimidatie te melden.
De gemeente Rotterdam maakte een aantal jaar geleden een app om straatintimidatie te melden. Foto Robin Utrecht/ANP

Het Rotterdamse verbod op straatintimidatie is in strijd met de grondwet. Het gerechtshof in Den Haag oordeelde donderdag dat het naroepen en -sissen van mensen op straat valt onder de vrijheid van meningsuiting.

Het hof kwam tot het oordeel in een zaak tegen een 36-jarige man uit Rotterdam. Vorig jaar viel hij acht vrouwen lastig door ze na te roepen, kus- en handgebaren te maken en achter ze aan te lopen. Het was de eerste rechtszaak rondom straatintimidatie ooit en fungeerde als proefproces.

Lees verder over het sisverbod in Rotterdam: Het sisverbod maakt geen fluit uit

De kantonrechter in Rotterdam maakte een onderscheid tussen verbale en fysieke uitingen. Het naroepen viel volgens de rechter onder de vrijheid van meningsuiting, maar voor de kusgebaren die de man maakte werden wel twee voorwaardelijke geldboetes van 100 euro opgelegd.

Het gerechtshof maakt dat onderscheid niet en vindt dat beide onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Alleen door de Tweede en Eerste Kamer gezamenlijk kunnen een beperking van het grondrecht aanbrengen. De verdachte wordt volledig vrijgesproken omdat het Rotterdamse verbod niet rechtsgeldig is.

Sisverbod

De gemeente Rotterdam had straatintimidatie per 1 januari 2018 strafbaar gesteld. In de volksmond stond dit bekend als het ‘sisverbod’. Meteen bij invoering ontstonden twijfels over de houdbaarheid van het verbod. Bovendien was het verbod moeilijk te handhaven.

De Rotterdamse wethouder Bert Wijbenga (Handhaving, VVD) is niet verrast door de uitspraak. „Rotterdam hecht waarde aan de norm dat iedereen prettig over straat moet kunnen gaan”, zegt hij. „Die norm zullen we blijven uitdragen en handhaven.” Wijbenga vindt dat de Tweede Kamer nu aan zet is. „Het is duidelijk geworden dat de bevoegdheid niet bij ons ligt. Ik zeg tegen de minister en de Tweede Kamerleden: er is nu alle reden voor jullie om vaart te maken en de norm te stellen.”