Opinie

Held

Ellen Deckwitz

Laatst ruimde ik mijn kelder uit en tot de grote vreugde van mijn neefjes (13 en 11) ontdekte ik daarbij dozen vol superheldencomics. Gistermiddag reed mijn zus de bakfiets voor om alle dozen in te laden. „Die kunnen de hele kerstvakantie vooruit”, zei ze toen we na het inladen nog even een mok chocolademelk achterover sloegen en mijn neefjes al begonnen waren in Frank Millers Batman, „Ik heb zelf nooit gesnapt wat je vroeger zo aantrok in die strips.”

„Omdat de meeste superhelden hun echte identiteit verborgen houden”, zei ik.

„Op de middelbare school was ik vooral bezig met erbij horen in plaats van mezelf te zijn. Ik droeg in die periode constant een masker. Het lezen van die strips gaf hoop. Overdag was Peter Parker een nerd, ’s avonds redde hij als Spider-Man de stad. Ik denk dat genoeg tieners zich in het verbergen van jezelf herkennen. En misschien zit daarin ook wel een troost, de gedachte dat er in je een held schuilt, die niet iedereen ziet.”

„Zit wat in”, mengde mijn oudste neefje zich in het gesprek, „want wie kan op de middelbare school nou echt zichzelf zijn? Je hoeft maar even gek te doen en het wordt meteen afgestraft.”

Eerder dit jaar circuleerde er op zijn school een filmpje van hem waarop hij een dronkelap nadeed. Hij loopt sindsdien krommer, praat zachter, doet minder vaak spontaan gek.

Misschien zijn superheldenverhalen daarom nog steeds zo populair onder jongeren. Omdat het hebben van een alternatieve identiteit grip suggereert. Dat je door het dragen van een masker (of in het geval van de meeste helden latex) zelf kan bepalen wat de wereld van je ziet, over welk deel van jou ze zich een mening mogen vormen, en welk gedeelte je voor jezelf houdt, wat je in afzondering kan ontwikkelen. Uiteraard is dat soort grip een idylle, net zoals dat je kunt vliegen of webdraden uit je handen kunt schieten, maar soms is een gedachte al genoeg om je door de dagen heen te helpen, vormen ze spalken om rechtop te kunnen blijven staan tussen alle onzin en kift waar je als tiener dagelijks mee moet dealen.

„Ergens is het best verdrietig”, zei de jongste, „dat je op de middelbare school niet jezelf kunt zijn.”

„Nou ja, dan ben je al druk genoeg met het verpoppen tot volwassene. Tot we eindelijk volwaardige motten worden”, grinnikte mijn zus. Daar kauwde mijn neefje even op.

„Ergens is het ook wel mooi”, zei hij ten slotte, „dat je om een held te zijn alleen een masker nodig hebt”, en begroef zich weer in bergen kleurrijke fictie.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.