Opinie

Goed bedoeld geld zoekt groene zeepbel

Maarten Schinkel

Ook teleurgesteld over de uitkomst van de klimaattop in Madrid? De beleggende burger kan daar zelf iets aan doen, en doet dat ook steeds vaker. Maar verantwoord beleggen heeft dezelfde valkuilen als verantwoord eten. Hoe bio is bio, en is ‘natuurlijk’ op een verpakking een oprecht bijvoeglijk naamwoord of een marketingtruc?

Verantwoord beleggen kent zijn eigen afkorting: ESG, wat staat voor milieu (environment), sociaal (social) en behoorlijk bestuur (governance). Het drukt op dit moment op alle juiste knopjes. Het International Institute of Finance (IIF), de internationale denktank van banken, stelde vorige week dat er in 2019 wereldwijd een uitgifte van 360 miljard dollar aan leningen was die zichzelf van het ESG-predikaat voorzien. Dat is 40 procent meer dan in 2018. Beleggingen volgens ESG-doelen bedragen nu al meer dan 1.200 miljard dollar wereldwijd, zo schat de bank BNP Paribas.

De run op ESG-beleggingen gaat zo hard dat hij al vergeleken wordt met de hausse rond exchange traded funds (ETF’s) die een jaar of tien geleden begon. Die fondsen, die niets meer of minder dan een bepaalde index schaduwen, zorgden voor een renaissance van het passieve beleggen. ETF’s en soortgelijke fondsen zijn nu dominant. ETF’s die zich op ESG’s toeleggen kregen dit jaar een instroom van 40 miljard dollar, 20 procent meer dan vorig jaar.

De ratio achter verantwoord beleggen is simpel. Als maar genoeg beleggers de aandelen kopen van ‘goede’ bedrijven dan wordt vermogen voor deze bedrijven relatief goedkoper dan die van ‘slechte’ bedrijven. Als beleggers op leningen van ‘goede’ bedrijven inschrijven, dan worden de rentelasten van die bedrijven relatief lager. Zo krijgen de goede bedrijven een voorsprong op de slechte, en prevaleren zij op termijn.

Blijft de vraag: wat is goed en slecht? Tabak en wapens zijn makkelijk. Een oliebedrijf ook, maar één met goede voornemens? Is al lastiger. Een voedingsmiddelenfabrikant met groene inspanningen, maar wel met palmolieplantages? De Europese Commissie is al hard bezig een ‘taxonomie’ te maken van wat onder ESG valt en wat bedrijven daar voor moeten doen en rapporteren. Dat belooft een wereldwijde standaard te gaan worden – over soft power gesproken. Het is net als bij voedsel: zit erin wat erop staat?

De behoefte aan goede data groeit intussen enorm: volgens het IIF hebben 55 dataleveranciers zich gestort op het verschaffen van gegevens die ESG-beleggers moeten helpen met hun beslissingen. Hun omzet: in 2014 200 miljoen dollar. Dit jaar is dat al 745 miljoen.

Intussen blijft er een risico op een al te frivole omgang met het predikaat ‘groen’. Maar het risico is er ook andersom. Hoe strikter in de leer de belegger is, of hoe strenger de voorwaarden waaraan de fondsmanager gehouden wordt, hoe kleiner het overblijvende domein waar al de ESG-beleggingen naartoe moeten vloeien. Die 1.200 miljard die nu al verantwoord is belegd, wordt snel meer. Een peiling van BNP Paribas eerder dit jaar wees uit dat rond de 50 procent van de beleggers en hun fondsmanagers een kwart van het vermogen in ESG steekt. Dat loopt in 2022 op tot meer dan 90 procent.

Al dat geld gaat op jacht naar een verantwoord doel. Dan kunnen er drie dingen gebeuren: bedrijven vergroenen razendsnel, waardoor het aanbod van groene beleggingen gelijke tred houdt met de vraag. Of de groene standaards gaan noodgedwongen naar beneden om al het geld toch een bestemming te bieden. Of er ontstaat een relatief tekort aan groene bestemmingen, waar het aangeboden geld zich massaal op stort. De woordspeling dient zich vanzelf aan: groene zeepbel.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.