Plofkraken, flappentappers en vulkachels

Ewoud Sanders

Woordhoek

Als Nederlanders ’s nachts opeens, zonder aankondiging vooraf, geen geld meer uit de muur kunnen trekken omdat er te veel geldautomaten worden opgeblazen, dan moet je concluderen dat de boeven voorlopig hebben gewonnen. Weliswaar gaat het om een „tijdelijke noodmaatregel”, maar die volgt op een structurele ingreep: al eerder waren uit risicogebieden honderden geldautomaten verwijderd vanwege de vele plofkraken. Reden om ons in de geschiedenis van dat woord te verdiepen.

De machine die wij nu kennen als geldautomaat is uitgevonden door de Schot John Shepherd-Barron (1925-2010). In 1967 werd de eerste cash machine, zoals hij zijn uitvinding noemde, geplaatst buiten een Barclays-vestiging in London. Shepherd-Barron had zich laten inspireren door een machine waar je chocoladerepen uit kon trekken.

In Nederland werd de eerste geldautomaat in 1982 in gebruik genomen door de Rabobank in Echt, na eerdere experimenten in Amsterdam. Dit bracht meteen een klein taalkundig conflict met zich mee. De Rabobank wilde het apparaat gelduitgifte-automaat noemen, maar De Nederlandsche Bank eiste dat dit werd gewijzigd in geldautomaat, omdat alleen deze instantie het recht heeft om geld uit te geven. De Postbank kwam vervolgens met de giromaat, kranten hadden het indertijd soms over gelduitbetalingsautomaten.

Omdat het publiek dit allemaal te stijfjes vond, ontstonden de woorden flappentap(pen) en pinautomaat. Men sprak van geld uit de muur trekken – net als met kroketten en frikadellen.

Het woord plofkraak is ouder dan de eerste Nederlandse geldautomaat. De Telegraaf meldde eind 1969: „Een uitgebreide actie van Nederlandse politiekorpsen maakte een eind aan de serie raadselachtige brandkastkraken, waarbij dynamiet werd gebruikt.” En: „De vijf daders van deze sinds juni gepleegde ‘profkraken’ zijn inmiddels gearresteerd. De totale buit bedroeg ruim 62.000 gulden, maar de aangerichte schade is ongeveer driemaal zo groot.”

Het woord staat tussen aanhalingstekens – een aanwijzing dat het indertijd relatief onbekend was. De eerste keer wordt het dus bovendien verkeerd gespeld, maar een paar zinnen verder staat: „Het zoeken naar de daders kwam op gang toen in de nacht van 19 op 20 juni bij een drankenhandel in Twello een plofkraak werd gepleegd.”

Voor de goede orde: het gebruik van dynamiet bij inbraken was toen al decennialang gangbaar. Dit werd door criminelen vooral ingezet om brandkasten of kluizen te openen. In de dieventaal van het begin van de twintigste eeuw: voor het kraken of sardineren (‘openscheuren’) van brandspinozers, ijskasten, ijzeren heinen, muntmeters, muziekdozen, pompers, speeldozen, tiejijs of vulkachels. De specialisten op dit gebied werden in het Bargoens tiejijspezers genoemd (‘brandkastforceerders’). De eerste plegers van plofkraken werden meteen plofkrakers genoemd, een woord dat in kranten zeker tot 1973 tussen aanhalingstekens werd geplaatst.

Bij het laten ontploffen van geldautomaten worden door plofkrakers verschillende explosieven gebruikt – ze worden steeds krachtiger. Het Dagblad van het Noorden omschreef het in 2006 tamelijk poëtisch: „De plofkraak is een vrij nieuwe techniek die uit Frankrijk komt. Daarbij boren criminelen een gat in de geldmachine waardoor ze gas in de automaat pompen. Dat brengen ze van een afstand tot ontploffing, waarna het geld over straat dwarrelt.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders