Analyse

Voor de Oranjes werden de regels rondom erfbelasting opgerekt

Hofmeubilair De dochters van Juliana gebruikten de meubels van hun overleden moeder om in 2009 een deel van hun erfbelasting te betalen. De overheid rekte de successieregels op voor de Oranjes.

Meubels in Paleis Soestdijk.
Meubels in Paleis Soestdijk. Foto NRC

De hofhouding had de boedelverdeling goed voorbereid. Voor de vier dochters en de kleinkinderen van Juliana en Bernhard lagen in paleis Soestdijk met pinguïns gedecoreerde stickerboekjes klaar. De nazaten van de in 2004 kort na elkaar overleden (groot)ouders konden in het verweesde paleis stickers plakken op huisraad van hun keuze. Op het voorblad van de stickerboekjes stond wel een verzoek aan de koninklijke hoogheden: of ze hun naam op de stickers wilden aangeven. Alleen koningin Beatrix hoefde dat niet te doen: de blanco pinguïnstickers waren van haar.

Dit inkijkje in de koninklijke keuken is vastgelegd in opdracht van Fred van der Veen, oud-directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst. Van der Veen was tot zijn overlijden eind 2005 verantwoordelijk voor de overdracht van het paleis, eigendom van de Rijksgebouwendienst. Op 24 maart 2005 sloeg hij alarm, omdat spullen uit het paleis waren verdwenen.

Dat was een probleem voor cultuurbons Jan Jessurun, voorzitter van een acht man sterke commissie. Die moest bepalen welke meubels de staat zou verwerven om het bijzondere negentiende-eeuwse interieur van Soestdijk voor het nageslacht te bewaren.

Onaangekondigd had de familie een rondgang door het paleis gemaakt, constateerde Van der Veen. Hij alarmeerde de commissie, die haastig het paleis kwam inspecteren. Sommige interieurstukken bleken verdwenen, op andere zaten stickers met koninklijke namen. Jessurun liep die donderdagochtend mopperend door het paleis. De opgetrommelde fotograaf moest de lege schilderijhaakjes en bestickerde meubels, kroonluchters en vazen vastleggen.

Rijksbezit

De afgelopen decennia maakte de koninklijke familie een groot deel van haar erfgoed te gelde. Kunstschatten werden naar de veiling gebracht of ondershands verkocht. En op 8 september onthulde NRC dat de familie tussen 1982 en 2009 de inboedels van vier paleizen had overgedaan aan de overheid. Die gaf het gros van de aangekochte meubels direct in bruikleen aan de familie en nam de zorg voor restauratie en onderhoud over. Miljoenentransacties waarover het parlement nooit werd geïnformeerd.

Lees ook over eerdere onthullingen van NRC over het hofmeubilair: De geheime deal rond de paleismeubels van de koninklijke familie

Voor de meubels van ‘werkpaleizen’ Noordeinde en Huis ten Bosch, en die van paleis Het Loo betaalde de overheid in de jaren tachtig zo’n 20 miljoen gulden (9,1 miljoen euro) aan prinses Juliana. Wat de overheid in 2009 overhad voor de inboedel van Soestdijk, bleef geheim. NRC verkreeg met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) weliswaar de door Jessurun opgestelde waardebepaling, maar daarin lakte het ministerie van OCW, zoals gebruikelijk bij Wob-verzoeken, privacygevoelige informatie weg.

De onderzoeksjournalisten Ton van der Ham en Norbert Reintjens van Zembla, het televisieprogramma van BNNVARA, kregen een ongelakt exemplaar in handen. In de uitzending De kunst van de koning maken zij deze donderdagavond duidelijk dat het ministerie meer weg lakte dan namen en bedragen.

De aankopen van de paleismeubels vloeiden voort uit de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (1973). Daarin is onder meer geregeld dat het staatshoofd van rijkswege kan rekenen op drie ingerichte werkpaleizen. De familie was zelf niet in staat om te zorgen voor een bij de koninklijke statuur passende inrichting, aldus rijksvoorlichtingsdienst RVD in een toelichting aan NRC.

De Oranjes wilden ook de inboedel van Soestdijk aan het Rijk verkopen. Tegen dat plan bestonden in 1973 nog grote bezwaren. Maar 35 jaar later, na de dood van Juliana, werden de meubels alsnog rijksbezit. Een „aankoop door de Staat der Nederlanden” noemde het ministerie van OCW de transactie in september tegenover NRC. Net als premier Rutte, toen hij in oktober in de Tweede Kamer ter verantwoording werd geroepen over de stil gehouden verwerving van de paleis-inventarissen.

De Zembla-uitzending maakt duidelijk dat de staat de meubels van Soestdijk helemaal niet heeft gekocht; de erven Juliana hebben gebruikgemaakt van de zogenoemde kwijtscheldingsregeling. Dat is een fiscale regeling om erfbelasting in natura te voldoen met kunst.

Stickers waarmee de prinsen konden markeren welke spullen van hun overleden grootouders zij wilden hebben. Foto NRC

Financieel aantrekkelijk

De regeling is financieel aantrekkelijk. Erfgenamen die kunst inbrengen mogen 120 procent van de waarde aftrekken van de verschuldigde successiebelasting. Een commissie van experts bepaalt namens de minister van Financiën of kunstwerken voor de regeling in aanmerking komen. Ze moeten van nationaal belang zijn en daarna voor een groot publiek te zien zijn.

De regeling bestaat sinds 1956, maar is weinig bekend. Tussen 2011 tot 2018 werd in totaal voor 12,3 miljoen euro aan erfbelasting voldaan via kunstoverdrachten, gemiddeld zo’n 1,5 miljoen euro per jaar.

De prinsessen Irene, Margriet en Christina (Beatrix was als troondrager vrijgesteld van successie) zijn dan ook grootgebruiker van de regeling. Zembla becijfert dat de Oranje-prinsessen in 2009 met antiek en kunst ter waarde van 7,3 miljoen euro in totaal 8.831.566 euro van hun erfbelasting mochten aftrekken. Het programma onderbouwt dit onder meer met een brief van de executeur-testamentair van Juliana. NRC heeft die ingezien, net als de reactie van de rijksvoorlichtingsdienst.

De aftrek had hoger kunnen uitvallen als ook het koninklijk tafelzilver (waarde: 1 miljoen euro) als betaalmiddel voor de erfbelasting was geaccepteerd. In Zembla leggen betrokken ambtenaren uit dat de adviescommissie dit verzoek van de familie afwees. Het tafelzilver werd later alsnog door de overheid gekocht, ‘slechts’ voor 100 procent van de getaxeerde waarde.

Als lid van de ‘Adviescommissie aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen’ moest Rudi Ekkart bepalen met welke koninklijke voorwerpen de Oranjes hun erfbelasting (deels) konden voldoen. De ervaren kunstbestuurder baseerde zich hierbij op de taxaties en aanbevelingen van de commissie-Jessurun.

Ekkart verbaast zich in de uitzending over de voorkeursbehandeling van de Oranjes. Sommige objecten die het Rijk verwierf, zijn daardoor niet zo publiek toegankelijk als de kwijtscheldingsregeling voorschrijft. Zoals vijf malachieten interieurstukken (belastingaftrek: een half miljoen euro) die van paleis Soestdijk verhuisden naar Noordeinde, het werkpaleis van de koning dat zelden wordt opengesteld voor publiek. „Het is niet de bedoeling geweest dat er meubels ergens verborgen in een paleis kwamen te staan”, aldus Ekkart.

Zeegezicht

Nog curieuzer is de gang van zaken rond het kostbaarste object dat de Oranjes in 2009 inbrachten: een zeventiende-eeuws penschilderij van Willem van de Velde de Oude. Dit zeegezicht hing in de secretarie van het Koninklijk Paleis op de Dam, een werkkamer van de koning. Geschatte waarde: 2,5 miljoen euro, derhalve goed voor een korting op de erfbelasting van 3 miljoen euro.

De ministeriële adviescommissie wilde het zeetafereel via de regeling verwerven – in tal van musea zou het een ereplek krijgen. Maar de commissie voorvoelde kennelijk nattigheid. In het advies over de Van de Velde staat: „Voor dit schilderij geldt dat herplaatsing naar een museum noodzakelijk wordt geacht. Anders wordt aanbevolen de regeling voor dit schilderij niet toe te passen.” In de documenten die NRC met een beroep op de Wob verkreeg, was precies deze passage weggelakt.

Het ambtelijke advies werd in de wind geslagen: het zeetafereel hangt nog steeds in de werkkamer van de koning. In Zembla is te zien hoe paleisbezoekers schuin, van een meter of acht afstand een glimp van het schilderij kunnen zien. Volgens de RVD is de presentatie in lijn met de regeling: „De Van de Velde heeft een passende plaats gekregen” en hangt op een „circa 270 dagen per jaar zichtbare plek”, aldus de dienst.

Dat het zo is gegaan, is te wijten aan Ronald Plasterk. Die schreef als minister van OCW een brief aan het staatshoofd met de strekking: maakt u zich geen zorgen majesteit, het penschilderij blijft hangen in de secretarie en wordt niet naar een museum verplaatst. Tot ergernis van commissielid Ekkart. Het kostbare schilderij hoorde volgens hem „in ieder geval een publieke functie te krijgen”.

Geconfronteerd met zijn belofte aan het staatshoofd wil Plasterk niks zeggen. Hij beroept zich in de uitzending op zijn ministeriële verantwoordelijkheid.

Zembla ‘De kunst van de koning’, NPO2 21.10 uur.
Tips? Mail naar onderzoek@nrc.nl

Correctie (19 december 2019): In een eerdere versie van dit stuk werd de oud-directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst Fred van der Veer genoemd, dit moest Fred van der Veen zijn en is hierboven aangepast.
Correctie 20 december: In de oorspronkelijke versie werd Rudi Ekkart voorzitter genoemd van de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen. Hij is commissielid , op voordracht van het Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Geert Corstens is de voorzitter.