Op jacht naar afval om Amsterdam op te hogen

Archeologie Amsterdam is in de loop der eeuwen opgehoogd met mest, klei, rietmatten en afval. Pas sinds de negentiende eeuw wordt zand gebruikt.

Amsterdam zakt al eeuwenlang weg. Sinds de zeventiende eeuw twee tot tweeënhalve meter. Dat komt doordat de stad is gebouwd op een plek waar je eigenlijk niet moet bouwen, op drassige veengrond bij de monding van de Amstel. Amsterdammers zijn daarom vanaf de eerste bewoning bezig geweest om droge voeten te houden door de stad almaar op te hogen. Dit blijkt uit het proefschrift van archeoloog Ranjith Jayasena, die deze woensdag aan de Universiteit van Amsterdam is gepromoveerd op onderzoek naar die ophogingen.

„Iedereen wist dat de ophogingen er waren, maar nog niemand had gekeken naar hoe dat was gedaan en door wie of door welke instantie”, zegt Jayasena, die al vijftien jaar bij de archeologische dienst van Amsterdam werkt en voor zijn onderzoek ongeveer honderd opgravingen heeft onderzocht.

Aan de huidige Nieuwendijk (in het verlengde van de huidige Kalverstraat in de richting van het centraal station) was het begin dertiende eeuw ieder voor zich. De wever, smid en andere bewoners richtten er stuk voor stuk een eigen terp op. Aan de overzijde van de Amstel (die toen door het huidige Damrak stroomde), dat grondgebied was van achtereenvolgens de heren van Amstel en graven van Holland, ging alles er een halve eeuw later georganiseerder aan toe. Daar werd met veen- en kleizoden een lang dijklichaam voor meerdere huizen tegelijk aangelegd. In de eeuw erna werden bij het aanplempen en winnen van land aan de Amstel eerst rietmatten op het drassige oeverland gestort. Daarop kwam een ophoging met zoden en mest.

Ophogingen door particulieren

In die periode kreeg Amsterdam een stedelijk karakter en kreeg het stadsbestuur een steeds grotere rol bij de organisatie van grondwerk. Het legde soms zelf nieuw land aan, maar gaf in het IJ ook kavels uit die particulieren zelf moesten droogleggen en ophogen. Hierdoor ontstond een onregelmatige oeverlijn met verschillende beschoeiingen.

In de zestiende eeuw werd de organisatie geprofessionaliseerd met de instelling van een stedelijk bouwbedrijf: het Stadsfabriekambt. Voor de ophogingen gebruikte het ambt in het begin nog steeds veen- en kleizoden, maar ook al afval, zoals aardewerk.

Sporen van opeenvolgende ophogingen bij de Oude Kerk. Foto’s Jørgen Veerkamp/MenA

Uiteindelijk werd stedelijk afval het belangrijkste materiaal voor ophogingen en landwinning en kreeg het Stadsfabriekambt ten tijde van stadsuitbreidingen het monopolie op de inzameling van afval. Landwinning en ophogingen gebeurden systematisch. Buitendijks gebied werd eerst geëgaliseerd met stadsafval, daaroverheen ging een kleilaag afkomstig uit nieuw gegraven grachten en het geheel werd afgedekt met baggerspecie gewonnen in het IJ of de stadsgrachten. Ook gebruikten ze een soort caissons, houten vakken die werden volgestort.

Particulieren, zelfs machtige organisaties als de VOC, moesten allerlei manieren vinden om aan afval en ander ophogingsmateriaal te komen. Er werd onder meer illegaal vuil ingezameld, en in het geval van de aanleg van de VOC-scheepswerf op Oostenburg werden extra grachten uitgegraven om baggerspecie te verkrijgen. Ook werd de eigen molenwerf weer afgegraven om aan ophogingsmateriaal te komen. Het leverde de VOC een boete op van het stadsbestuur vanwege illegaal grondverzet, ook al was het op eigen terrein gebeurd.

De Jordaan, voor ambachtslieden, werd te weinig opgehoogd

De Jordaan is een voorbeeld van een stadsuitbreiding, in dit geval voor ambachtslieden, waar de grond te weinig is opgehoogd. „De Jordaan ligt nog steeds een halve meter lager dan de westelijke grachtengordel”, weet Jayasena. „Daarom was er vanaf het begin en is er ook nu nog veel wateroverlast.”

Sinds de negentiende eeuw wordt zand gebruikt om grond op te hogen. Dat kwam eerst uit het Gooi, de ontgraving van het Noordzeekanaal en IJmuiden, en later de Sloterplas. Door betere kennis van de ondergrond is bij de aanleg van IJburg de ‘pannekoekmethode’ gebruikt. Jayasena: „Om instabiliteit en latere zettingen te voorkomen zijn achter elkaar dunne lagen zand aangebracht, die steeds de tijd kregen om te zetten.”

Diepe geul in het IJ

Bij IJburg moest ook rekening gehouden worden met een dertig meter diepe geul van het oer-IJ. „Die geul is pas enkele decennia geleden met sonderingen ontdekt”, zegt Jayasena. „Het stationseiland van het Centraal Station ligt er boven en al tijdens de bouw in 1881 was er een verzakking. IJburg is precies naast de geul aangelegd.”

Het is mede aan de hand van die oude loopvlakken dat Jayasena heeft kunnen reconstrueren dat de stad in de afgelopen eeuwen twee tot tweeënhalve meter is gezakt. „Door deze gegevens en historische kaarten in een geo-informatiesysteem te plaatsen weten we nu ook hoe diep we resten uit de zeventiende eeuw kunnen verwachten. Dat is van belang te weten als er ergens gebouwd gaat worden.”