Opinie

Klantcontact

Marcel van Roosmalen

Nadat de Blokker ons dorp met gierende banden had verlaten bleef er een winkelpand met restvoorraad over. Producten die te min waren voor de nieuwe locatie, maar nog goed genoeg voor ons. Alles mocht in eerste instantie weg voor de helft van de prijs, daarna voor de helft van de helft. Twee keer per week keerden invalkrachten een paar uur terug naar de vertrouwde locatie. Ze gedroegen zich als mensen die een verre reis hadden gemaakt en nu opeens nooit meer naar de camping in Frankrijk wilden. Het was leuk geweest hoor, twintig jaar zo af en toe achter de kassa in Wormer, maar Wormer was geen Krommenie.

„Ik weet niet hoe ik het moet omschrijven”, hoorde ik een van die vrouwen zeggen, „maar het is er gewoon levendiger. En ik hou van levendig. En levendig was het hier eigenlijk nooit, toch? Of vind jij het wel levendig?”

„Nôh..”, antwoordde een vrouw, die van ellende een lelijk douchegordijn had gekocht omdat dat zo goedkoop was.

De verkoopster zei dat de aardige eigenaar en zijn vrouw echt opgeknapt waren van de verhuizing. „Ze hebben weer kleur op de snuit, er komt weer wat vlees op de botten want na regen komt toch zonneschijn”, ving ze drie clichés in een zin.

„Weet je wat ik tegen Krommenie heb?”, zei een vrouw die de laatste strijkplank uit het assortiment had gevist. „Het is zo modern, zo gejaagd.”

Haar man zei, terwijl hij met een hand het pinapparaat afschermde, dat Krommenie niet moest denken dat ze een grote stad zijn.

„Uiteindelijk zijn het net zulke mieren als wij.”

De verkoopster: „Maar ze hebben nu wel mooi een Blokker.”

En zo regen de gesprekjes over niks zich aan elkaar, als kraaltjes aan een lelijke ketting. Nadat de laatste dorpelingen waren vertrokken dwaalden alleen de oudste dochter (4) en ik nog tussen de lege stellingen. We wilden wel een product kopen, maar het ging niet.

„Als een winkel sluit blijven alleen de vazen over”, blies een van die verkoopster ineens in mijn nek. „Ik denk dat de meeste mensen in Wormer al een vaas hebben, anders kan ik het niet verklaren.”

Wij hadden ook al een vaas, we hoefden er niet nog één.

„Verkoopt u in Krommenie meer vazen?”, vroeg ik.

Ze ging het navragen.

„Al drie”, zei ze even later, haast triomfantelijk.

Ik was het laatste klantcontact dat ze op deze locatie had gehad, zei de verkoopster terwijl ze ons met zachte hand naar buiten dreef.

De tragiek ontging me niet.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.