Techbedrijven aangeklaagd vanwege kinderarbeid in kobaltmijnen

Kinderarbeid Apple, Google, Dell, Microsoft en Tesla zouden op de hoogte zijn van de misstanden in de kobaltmijnen waar hun grondstoffen vandaan komen.

Foto Michael Robinson Chavez/Getty

Vijf grote technologiebedrijven zijn in een Amerikaanse rechtbank aangeklaagd voor medeplichtigheid aan de dood of het ernstig verwonden van kinderen die moesten werken in mijnen die onderdeel zijn van de ‘productieketen’ van de bedrijven. Mensenrechtenorganisatie International Rights Advocates heeft die zaak aangespannen namens veertien Congolese families, schrijft The Guardian.

De eisers zijn slachtoffers en nabestaanden van jonge kinderen (sommige zijn jonger dan zes jaar oud) die in kobaltmijnen werkten in de Democratische Republiek Congo. De kinderen raakten gewond of kwamen om tijdens het werk, bijvoorbeeld doordat tunnels instortten. Hun families eisen schadevergoedingen voor dwangarbeid, oneigenlijke verrijking en nalatig toezicht, zo citeert de Britse krant uit de aanklacht. Kobalt is een belangrijke component in de oplaadbare batterijen die worden gebruikt in allerlei apparaten, zoals de producten die worden verkocht door de aangeklaagde bedrijven.

De wereldwijde mijnbouwketen is bijzonder ondoorzichtig. De Responsible Mining Index die in 2018 werd gelanceerd moet het zicht op de mijnbouw verbeteren.

Het is voor het eerst dat techbedrijven in een dergelijke zaak worden aangeklaagd. De mijnbouw in Congo – waar ook grondstoffen als goud en diamanten worden gedolven – wordt al jaren in verband gebracht met mensenrechtenschendingen. Zo constateerden denktanks en mensenrechtenorganisaties meermaals dat daar sprake is van slechte en gevaarlijke werkomstandigheden, corruptie, kinderarbeid en milieuvervuiling. Apple, Google, Dell, Microsoft en Tesla hadden „specifieke kennis” van de misstanden bij de mijnen waar zij hun grondstoffen inkopen, schrijven de advocaten die deze zaak aan de rechtbank van Washington voorleggen.

Volgens International Rights Advocates hadden de kinderen, opgegroeid in extreme armoede, geen andere keus dan in mijnen te werken. Zij verrichtten arbeid in ‘informele’ mijnen, of als illegale en niet-geregistreerde arbeiders. De advocaten schrijven dat alle slachtoffers op locaties werkten die overzien worden door grote, bekende mijnbouwbedrijven, zoals het Zwitserse Glencore. Voor de rechtszaak volgen zij de mijnen waar de slachtoffers werkten naar zo’n concern en vervolgens naar het techbedrijf dat daar materialen inkoopt. De techbedrijven zouden als bovenliggende partij de autoriteit en de middelen hebben om de toevoer van het door hen gebruikte kobalt te controleren. Enkel voor de vorm zijn de bedrijven aangesloten bij ‘programma’s’ ter verbetering van de omstandigheden, aldus de mensenrechtenorganisatie.