Opinie

Probleemloos

Ellen Deckwitz

De laatste jaren fluctueerde het liefdesleven van mijn zus harder dan de olieprijs, maar afgelopen herfst ging het vanuit het niets opeens helemaal goed. Ik helemaal blij, allereerst omdat ik mijn zus een fijne relatie gun maar vooral omdat het me enorm veel tijd scheelt als ze gelukkig is. Het aantal uren dat ik kwijt ben geweest aan haar troosten loopt inmiddels in de honderden en dat is allemaal oké maar toen mijn zus twee maanden geleden blozend vertelde dat ze verliefd was en het ook nog eens wederzijds bleek, ontkurkte ik wel even een krat alcoholvrije kwaliteitschampagne.

En toen ging gisteravond de deurbel en stond ze bleek op de stoep.

„Gaat het?” vroeg ik. Ze piepte de naam van haar geliefde en glipte stilletjes langs me heen het huis in. De schrik sloeg me om het hart, ik had net een heerlijke stapel boeken klaarliggen om me doorheen te graven als die nooitgenoegrups.

„Is het uit?” vroeg ik angstig.

„Nee, het gaat heel goed”, zei ze, „ik was alleen weer even vergeten dat liefde soms zo ingewikkeld is. Vooral wanneer het goed gaat. Omdat je dan bang bent dat alles weer verdwijnt.”

„Nou ja, ik heb liever een relatie met iemand van wie ik bang ben om hem kwijt te raken dan met iemand van wie ik hoop dat hij elk moment in rook opgaat”, zei ik snel, maar ze had natuurlijk een punt. Als je echt heel blij wordt van iemand durf je die persoon soms nauwelijks aan te kijken vanuit de angst dat wanneer je gaat geloven dat het echt is, de zeepbel alweer knapt.

‘Ik was vergeten hoe eenzaam het soms is om verliefd te zijn”, zei mijn zus, „opeens laaien allerlei oude angsten en complexen weer op. Daar kan die ander natuurlijk niets aan doen, en dus probeer je er in je eentje maar een beetje mee te dealen. De enige remedie is ervaring, maar zelfs dat lost niet alles op.”

„Gewoon volhouden”, zei ik tegen haar, „je kan dit! Ik weet zeker dat dit je grote liefde is!” Ik klopte haar bemoedigend op de rug, alsof haar angst een boertje was dat gewoon even los moest komen.

Ze omhelsde me en ik keek zo onopvallend mogelijk naar de klok. Als het meezat stapte ze zo op en kon ik beginnen aan mijn leesorgie.

„Je bent de liefste”, zei ze en ik knikte: hoe gelukkiger ze was, hoe meer ik aan mezelf kon denken. En hoe meer ik aan mezelf dacht en haar daarom moed insprak, hoe gelukkiger zij weer werd. Het zou uren duren voor ik mezelf daar slecht over begon te voelen, en tot die tijd leek de wereld logisch en elk probleem geheel oplosbaar.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.