Opinie

Ook de vrijdenker moet dringend met verlof

Paul Scheffer

De locatie was goed gekozen: de eersteklas restauratie op het Centraal Station in Amsterdam. Dat is fijn voor de verwoede treinreiziger die ik ben. Ik had geen Greta nodig: de jaren zestig waren al vol van sombere verwachtingen over het milieu. Daaruit trok ik toen de conclusie nooit een rijbewijs te halen. Luiheid in latere jaren deed de rest.

De aanleiding van de samenscholing in de restauratie was een aardige onderscheiding die ik een paar weken geleden mocht ontvangen: Vrijdenker van het jaar. Uitgereikt door een vereniging van atheïstisch humanisten, opgericht in 1856. Ik kreeg de indruk dat enkele van de aanwezigen nog bij die oprichting aanwezig waren geweest.

Een gegeven prijs mag je niet recenseren, maar ik vroeg me wel af hoe het nu eigenlijk gesteld is met de vrijdenker in mijzelf? Want als ik eerlijk ben: ik heb me nooit zo onvrij gevoeld als uitgerekend de laatste jaren. Het kost moeite om in de buurt te blijven van wat onafhankelijkheid zou moeten zijn.

Dat heeft vast iets te maken met de tijd waarin we leven, vooral met het giftige mengsel dat we sociale media noemen. Ik weet het: je hoeft niet naar Twitter te kijken, maar ik doe het toch. Er zijn wel erg veel digitale stalkers op pad in de avonduren. Het risico is dat er steeds meer mensen over je schouder meekijken als je je weer eens aan een idee waagt.

Halfbakken theorieën over hoe extreemrechts zo langzamerhand het midden heeft overgenomen, dragen bij aan allerlei beschuldigingen over racisme. Daar moet je aan voorbijgaan, maar helemaal er aan wennen doe ik toch niet. Schrijven is immers de kunst om je niet op te sluiten in een eigen gelijk.

Toen ik er wat meer over nadacht realiseerde ik me dat mijn gevoel van onvrijheid ook voortvloeit uit een eigen geschiedenis. Ik begon ooit in 1978 als correspondent in Parijs voor De Groene. Na veertig jaar sleep je een hele berg woorden achter je aan. Wie schrijft die blijft. Dat is niet altijd gemakkelijk – ik wil in elk geval rekenschap afleggen over eerdere ideeën.

Tijdens die bijeenkomst in de stationsrestauratie kreeg ik een foto in handen gedrukt. Daarop zag ik mezelf als deelnemer aan het Wereld Jeugd Festival in Havana, eind jaren zeventig. Ik hield daar een toespraak: tussen gemeende woorden over ‘anti-imperialisme’ – de oorlog in Vietnam was net afgelopen – ging het over de opsluiting van de dissidenten in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Dat viel daar niet goed.

Afstand in de tijd schept overzicht, maar als ik rondneus in de stellige beschouwingen van vele jaren geleden kost het me soms moeite om mijn vroegere ik te begrijpen. Ook het eigen verleden is een vreemd land dat je telkens moet herontdekken. Ondertussen leer ik de bochten en krochten van mijn verleden beter kennen.

Mijn gevoel van onvrijheid heeft denk ik ook te maken met het bombardement van slecht nieuws. Die overdaad schept een gevoel van onveiligheid. Ik stel daar een sterke behoefte aan ordening en duiding tegenover, maar slaag er niet in om de vluchtige aandacht voor de actualiteit te verzoenen met het trekken van langere lijnen.

Een afdaling in de geschiedenis is de beste manier om je te weren tegen deze wirwar. Dat heb ik proberen te doen in een aantal boeken – en dat blijf ik komende jaren doen. Het verleden vraagt om onderhoud: het besef dat er iets aan je vooraf is gegaan en er iets na je komt. Die doorgaande geschiedenis is uiteindelijk geen last maar een houvast.

Allemaal omtrekkende bewegingen om te zeggen dat ik met deze wekelijkse column stop. Ook de vrijdenker heeft dringend behoefte aan studieverlof. Ik blijf schrijven voor deze krant die me al dertig jaar na aan het hart ligt. Het is een voorrecht om ideeën over de stand van het land en de wereld te delen. Dat lijkt na al die jaren bijna vanzelfsprekend, maar dat is het natuurlijk nooit.

Ik denk wel dat meer diversiteit aan opinies geen kwaad kan – en ook het bewaken van de scheiding tussen nieuws, analyse en opiniëring blijft van belang. De verleiding van activisme kunnen we beter overlaten aan de wakkere ochtendkrant. Zoals we weten kent een spiegelgevecht alleen verliezers. Alles begint met zelfonderzoek: wie zichzelf niet wil zien als onderdeel van het probleem kan beter zwijgen.

Zo is misschien het overdenken van de eigen onvrijheid wel een vorm van vrijdenken. Daar in de restauratie sprak de socioloog Sjoerd Karsten over de pedagoog en sociaaldemocratische politicus Adriaan Gerhard (1858-1948). Een gedragen zin van Gerhard bleef hangen: „Strenge zelfbetrachting, die hem zo vaak eigen feilen en zwakheden voor ogen houdt, leert de vrijdenker ’t geheim van echte verdraagzaamheid.”

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies. Dit is zijn laatste column, maar hij zal regelmatig bijdragen aan NRC, waaraan hij sinds 1990 verbonden is.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.