NRC mag naam gevallen UvA-hoogleraar noemen

Hoger beroep In mei verbood de Amsterdamse rechtbank NRC nog de naam te publiceren van de in opspraak geraakte hoogleraar.

Gerechtshof Arnhem.
Gerechtshof Arnhem. Foto Jeroen Jumelet/ANP

NRC mag alsnog de voor- en achternaam noemen van de hoogleraar arbeidsrecht die zich schuldig maakte aan grensoverschrijdend gedrag. Dat heeft het gerechtshof Arnhem dinsdag in hoger beroep bepaald. De rechter oordeelt dat het recht „op vrije meningsuiting van NRC” zwaarder weegt dan het recht van hoogleraar Ronald Beltzer „op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.”

In mei van dit jaar legde de voorzieningenrechter de krant nog een verbod op naamsvermelding op. NRC ging tegen die uitspraak in beroep.

Het gerechtshof trekt nu een streep door het oordeel van de voorzieningenrechter. Het hof spreekt van „deugdelijk onderzoek” van de krant en weegt de „ernst van de misstand” mee. Dat maakt „dat er een groot belang bestaat van NRC bij publicatie van het artikel, met vermelding van de naam”. Het hof stelt: „Juist in #metoo-zaken bestaat er namelijk een grote belangstelling bij het publiek om te vernemen welke hooggeplaatste of publieke personen zich vaak gedurende langere tijd straffeloos seksueel grensoverschrijdend hebben gedragen (vaak ten opzichte van mensen die in een afhankelijkheidsrelatie tot hen staan)”.

NRC is blij met de uitspraak. NRC-hoofdredacteur René Moerland: „Het ging ons om de journalistieke consequenties die het belang van deze zaak overstijgen. Media moeten de naam kunnen noemen van een publieke persoon wanneer aanwijzingen voor wangedrag of betrokkenheid bij misstanden voldoende kunnen worden vastgesteld. Dat dient een publiek belang. De uitspraak van het hof erkent deze belangrijke journalistieke taak.”

Lees het onderzoeksartikel: Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen

Wangedrag en machtsmisbruik

NRC deed langdurig onderzoek naar (seksueel) wangedrag en machtsmisbruik door de hoogleraar die tot eind 2018 verbonden was aan de vakgroep arbeidsrecht van de Universiteit van Amsterdam. Op basis van tientallen bronnen, documenten, apps, mails, gespreksverslagen en rapportages legde de krant het wangedrag bloot, en reconstrueerde het waarom er jarenlang niet werd ingegrepen.

De betrokken hoogleraar spande voor publicatie in NRC een kort geding aan tegen de krant. De zaak richtte zich volgens zijn advocaten „uitdrukkelijk niet op de inhoud van het artikel”, maar op een verbod op het noemen van zijn voor- en achternaam, de sectie arbeidsrecht van de UvA en het afbeelden van zijn portret.

De rechtbank Amsterdam oordeelde destijds dat de krant het gedrag van de hoogleraar „grensoverschrijdend” mocht noemen, de hoogleraar en raadsheer-plaatsvervanger van het gerechtshof Amsterdam is aan te merken als ‘public figure’ en dat kan „worden aangenomen dat het artikel voldoende op feitelijke basis is gestoeld”, maar er tegelijk „onvoldoende” grond was om de hoogleraar met volledige naam „aan de schandpaal te nagelen”.