De rijken gaven weer veel geld uit aan topstukken, nu ook aan graffiti-kunstenaars

Kunstmarkt in 2019 Straatkunstenaars en jonge Aziatische verzamelaars zetten de toon in een kalm kunstmarktjaar.

Kaws: The Kaws Album (2005). Geveild voor 13,2 miljoen euro.
Kaws: The Kaws Album (2005). Geveild voor 13,2 miljoen euro.

In het kunstmarktjaar van de banaan gleed het kleine Franse veilinghuis Acteon bijna uit over een schilderijtje dat decennialang boven het fornuis van een hoogbejaarde Franse vrouw had gehangen. In het Hôtel des Ventes in Senlis, een plaatsje ten noorden van Parijs, zou Acteon het paneeltje op 26 juni te koop aanbieden. De omschrijving van lot 119: een negentiende-eeuwse Russische icoon. De waarde: 150 tot 200 euro.

De Amsterdamse iconenhandelaar Simon Morsink maakte direct printjes toen hij lot 119 begin juni op zijn computer bekeek. Een negentiende-eeuwse Russische icoon? Flauwekul, zag Morsink direct. Dit leek verdorie wel een paneel van Cimabue, de beroemde dertiende-eeuwse Florentijnse schilder.

Morsink was de enige niet die de sleeper, Engels vakjargon voor een over het hoofd gezien meesterwerk, had opgemerkt. De ‘icoon’ werd teruggetrokken uit de veiling en eind oktober opnieuw aangeboden. Ditmaal als een herontdekt meesterwerk van Cimabue en met een richtprijs van 4 tot 6 miljoen euro. De Chileense miljardair Álvaro Saieh, een groot verzamelaar van de vroegste Italiaanse schilderkunst, won naar verluidt de biedingsstrijd. De prijs voor de voormalige fornuisversiering: ruim 24 miljoen euro.

Hooimijt

De recordopbrengst voor de Cimabue onderstreept dat de ultra-rijken ook in 2019 bereid waren om veel geld voor topstukken uit te geven. Probleem alleen was het geringe aanbod van onbetwiste meesterwerken dit jaar. Geen aan Leonardo toegeschreven Christusportret (in 2017 goed voor een recordbedrag van 450 miljoen dollar), geen nalatenschap als die van Peggy en David Rockefeller (opbrengst 832 miljoen dollar in 2018), en evenmin topstukken van Modigliani en Picasso (vorig jaar goed voor opbrengsten van 157 en 115 miljoen dollar).

Banksy: Devolved Parliament (2009). Geveild voor 11,1 miljoen euro.

Het kostte kennelijk moeite om grote verzamelaars te overtuigen afstand te doen van hun topstukken. Dat de veilinghuizen minder toeschietelijk waren met het verstrekken van garantie-opbrengsten speelde daarbij vast een rol, net als de Brexit-perikelen.

Slechts één kunstwerk, een hooimijt van Monet, bracht in 2019 op de veiling meer dan 100 miljoen dollar op. En ook onder die grens waren beduidend minder uitschieters te noteren. Bij de grote najaarsveilingen in New York werd vergeleken met een jaar eerder 11 procent minder omzet geboekt met de verkoop van hedendaagse kunst. Bij de impressionistische en moderne kunst daalde de omzet zelfs met 32 procent.

Maar of maximaal 30 miljoen voor de hoogtepunten van grote avondveilingen het nieuwe normaal is, zoals wel werd gesteld, valt te betwijfelen. Het wachten is op onbetwiste meesterwerken met richtprijzen van boven de 50 miljoen. Met spanning kijkt de kunstmarkt daarom uit naar de veiling van de collectie van Harry en Linda Macklowe. De 82-jarige New Yorkse vastgoedondernemer hertrouwde dit jaar en om de scheiding van zijn ex te kunnen betalen wordt komend jaar hun kunstcollectie geveild. De geschatte waarde: ruim 700 miljoen dollar.

Vrouwen

De aandacht (en het geld) ging dit jaar dus vaak uit naar wat minder voor de hand liggende kunstenaars. Naar vrouwen (Joni Mitchell, Louise Bourgeois), naar African-American artists (een uit 2014 daterend doek van Kerry James Marshall werd geveild voor liefst 16,7 miljoen euro) en naar Yoshitomo Nara. Een doek van de Japanse pop-artkunstenaar, een in 2000 geschilderd portret van een meisje met grote ogen, werd bij Sotheby’s in Hongkong geveild voor het recordbedrag van bijna 23 miljoen euro.

Yoshitomo Nara: Knife behind back (2009). Geveild voor 22,7 miljoen euro.

Maar 2019 was misschien nog wel het meest het jaar van de voormalige straatkunstenaars Banksy en Kaws (1974). Hun veilingrecords schoten omhoog. Banksy’s Devolved Parliament (2009), waarop hij het Britse Lagerhuis schilderde als een apenkooi vol chimpansees, bracht ruim 11 miljoen euro op. En The Kaws Album (2005), een Simpsons-parodie op de fameuze hoes van het Beatles-album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, deed al even onverwacht zelfs ruim 13 miljoen.

Sommige kunstcritici ergerden zich aan de populariteit van de twee graffiti-kunstenaars. Zonder noemenswaardige hulp van galeries en musea weten de twee een groot publiek te bereiken, ook door het ontwerpen van T-shirts en speelgoed. De Italiaanse curator Francesco Bonami, de voormalig artistiek leider van de Biënnale in Venetië, noemde Banksy en Kaws in een opinie-artikel voor La Repubblica „de nietsnutten die alles bedreigen”. Zelfs de kunst, jammerde Bonami, is populistisch geworden.

Het lijkt er inderdaad op dat zich een nieuw type kunstverzamelaars heeft aangediend. Jonge Aziaten die zich weinig bekommeren om geaccepteerde conventies en die bereid zijn talloze miljoenen uit te geven voor doeken die het atelier van de kunstenaar nog maar kort hebben verlaten. Met hun veroverde trofee poseren ze vervolgens op sociale media, zoals de 44-jarige Japanse miljardair Yusaku Maezawa deed toen hij twee jaar geleden voor 110 miljoen dollar een schilderij van Basquiat kocht. Misschien is zulk gedrag het nieuwe normaal.