Advies aan Hoge Raad: arts hoeft euthanasie niet mondeling te verifiëren

Euthanasiewet De procureur-generaal vindt dat de Haagse rechtbank in de strafzaak tegen een verpleeghuisarts recht deed „aan het zelfbeschikkingsrecht dat de wetgever in de Euthanasiewet centraal heeft gesteld”.

Een voorbeeld van een schriftelijke wilsverklaring. Foto Charlotte Bogaert / Hollandse Hoogte.
Een voorbeeld van een schriftelijke wilsverklaring. Foto Charlotte Bogaert / Hollandse Hoogte.

Artsen hoeven bij euthanasie op wilsonbekwame, diepdemente patiënten niet in alle gevallen voorafgaand aan de euthanasie met deze patiënten te communiceren. Zo interpreteert de procureur-generaal van het aan de Hoge Raad verbonden parket de Euthanasiewet, bleek dinsdag op een zitting. „Als de arts tot de conclusie komt dat dit zinloos is en onnodig belastend voor de patiënt, moet dit medisch-professionele oordeel in beginsel gerespecteerd worden door de rechter”, zei procureur-generaal Jos Silvis.

Silvis geeft leiding aan het parket dat is verbonden aan de Hoge Raad. Dat parket is onafhankelijk en geeft rechtsgeleerde adviezen aan de Hoge Raad. De procureur-generaal adviseert de Hoge Raad om het oordeel van de rechtbank in de strafzaak tegen een Haagse verpleeghuisarts in stand te houden. De Haagse rechtbank ontsloeg deze arts in september van alle rechtsvervolging in de zaak van de euthanasie van een diep demente vrouw van 74 in 2016.

Lees ook: Afzien van euthanasie, kan dat nog?

De vrouw had jaren eerder een schriftelijke wilsverklaring opgesteld. De arts vond, na uitgebreid onderzoek naar haar doodswens, dat die wilsverklaring voldoende was om de euthanasie uit te voeren. Het Openbaar Ministerie klaagde de arts aan voor moord, omdat justitie vond dat de arts had moeten proberen de doodwens bij de patiënt zelf mondeling bevestigd te krijgen.

Het OM koos ervoor geen hoger beroep in te stellen tegen de verpleeghuisarts, voor wie de strafzaak zeer belastend was. Wel vroeg het OM de procureur-generaal om het instellen van ‘cassatie in belang der wet’, wat betekent dat de Hoge Raad zich alsnog uitspreekt over juridische onduidelijkheden. Die onduidelijkheid bestond eruit dat de verpleeghuisarts door de rechtbank was ontslagen van rechtsvervolging terwijl zij eerder van het medisch tuchtcollege wel een berisping kreeg voor onzorgvuldig handelen bij het uitvoeren van deze euthanasie.

Belangrijke uitspraak voor artsen

De procureur-generaal stelt in het advies aan de Hoge Raad dat de wetgever met de Euthanasiewet „heeft willen voorkomen dat wilsonbekwame patiënten in een situatie van uitzichtloos lijden belanden als zij om dat te voorkomen tevoren schriftelijk om euthanasie hebben verzocht”. Dat een patiënt uitzichtloos en ondraaglijk lijdt zijn belangrijke voorwaarden, evenals een geldig euthanasieverzoek, vindt de procureur-generaal. Maar daarna heeft de arts de ruimte om de bedoeling van het schriftelijk verzoek te interpreteren. Dat er daarbij nog gecommuniceerd moet kunnen worden met de patiënt is „volgens de Euthanasiewet niet in alle omstandigheden vereist”.

De Hoge Raad doet naar verwachting in het voorjaar van volgend jaar uitspraak. De uitspraak is volgens de procureur-generaal voor artsen belangrijk omdat zij daarna weten „welke normen gelden en welke beoordelingsruimte zij hebben om beslissingen te nemen”. Artsenfederatie KNMG neemt de uitspraak mee bij het opstellen voor nieuwe richtlijnen voor euthanasie bij dementie.

De uitspraak van de Hoge Raad zal geen gevolgen meer hebben voor de verpleeghuisarts, maar geeft rechters in toekomstige vergelijkbare zaken duidelijkheid over hoe zij de Euthanasiewet moeten toepassen.