Leidse klokkenluiders: ‘Je leert heel snel om je mond te houden’

Wetenschappelijke integriteit Een Leidse psycholoog werd recentelijk door de universiteit beschuldigd van fraude. Haar medewerkers vertellen nu hoe het eraan toeging in de onderzoeksgroep.

Postdoc Laura Steenbergen (rechts) en universitair docent Roberta Sellaro.
Postdoc Laura Steenbergen (rechts) en universitair docent Roberta Sellaro. Foto Lars van den Brink

De klap is in Leiden hard aangekomen. Anderhalve week geleden werd een rapport van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) openbaar waaruit duidelijk werd dat een prominente wetenschapper van de Universiteit Leiden, Lorenza Colzato, het niet zo nauw nam met de wetenschappelijke mores.

Ze verzuimde ethische toestemming voor haar onderzoeken af te wachten, liet zonder goede reden data weg uit artikelen en handelde niet correct met de naamsvermelding van auteurs. De misstanden zijn soms al van jaren geleden. Waarom trok niet eerder iemand aan de bel?

Uiteindelijk kwam de zaak aan het licht omdat drie naaste medewerkers van Colzato zich eind 2018 met klachten over haar meldden bij de wetenschappelijk directeur van het Instituut Psychologie, Philip Spinhoven. Er volgde vanuit de universiteit een uitgebreid integriteitsonderzoek naar Colzato, dat bijna een jaar in beslag nam. Eind november zette de universiteit het geanonimiseerd op de website.

Nu pas vertellen de klagers openlijk over hun ervaringen, waarmee ze ook uit de anonimiteit treden. Een van hen, Laura Steenbergen (28), doet het woord namens de andere twee, Bryant Jongkees (28) en Roberta Sellaro (39). Steenbergen en Jongkees promoveerden in juni 2016 en februari 2019 met Colzato (45) als co-promotor; Sellaro promoveerde in 2013 in het Italiaanse Trente en werd daarna door Colzato als postdoc naar Leiden gehaald. De groep deed onderzoek naar versterking van geestelijke vermogens (‘cognitive enhancement’).

Lees ook: Psycholoog schond vele normen

Gesteund door de decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen Paul Wouters (68) doet Steenbergen haar verhaal. Ze let er zorgvuldig op haar voormalige collega niet bij naam te noemen. Telkens gaat het over „de beklaagde”. NRC noemt haar naam wel omdat ondanks de anonimisering uit het rapport duidelijk wordt om wie het gaat, en de naam inmiddels ook algemeen bekend is.

Intieme groep

Steenbergen praat snel, verbetert zichzelf vaak. „We hebben jarenlang met de beklaagde samengewerkt, dat gaat terug tot ongeveer zes jaar geleden. We waren een heel intieme groep met z’n vieren: Roberta, Bryant, ik en de beklaagde zelf. We hadden al heel snel door dat er dingen niet gingen zoals je geleerd hebt dat ze moeten gaan. En daarover spreek je dan iemand aan en dan krijg je te horen: ‘je begrijpt niet hoe grote mensen onderzoek doen’. Of: ‘anderen produceren niet zoveel als wij, die zitten niet zo hoog in de wetenschap dus die begrijpen dat ook niet en die weten dat ook niet’.

„Je leert zo al heel snel om je mond erover te houden. Er wel iets van zeggen betekende dat je te horen kreeg: ‘dan moet je misschien maar uit de wetenschap, dat is dan niks voor jou’. Of: ‘goh, gaat het thuis allemaal wel lekker?’ Je kreeg het meteen terug, dus dan denk je nou laat maar zitten. Op een gegeven moment heb je niet meer de energie of de moed om erover te blijven klagen.”

Buitenwereld

Dat wordt versterkt doordat de buitenwereld het er mee eens lijkt te zijn, zegt Steenbergen. „Niemand stelde vragen bij deze hoge productiviteit. Je denkt: ze zal dus wel gelijk hebben. Dat wordt dan de nieuwe standaard en je gaat eraan meedoen. Wij werden onderdeel van het probleem, dat is ook de reden dat we hier nu zitten. Dat wij die klacht überhaupt hebben kunnen indienen, is omdat we precies weten waar het is misgegaan.”

Pas nadat Steenbergen en medeklagers niet meer bij Colzato werkten (Jongkees promoveerde krap een week voordat de klacht werd ingediend) zagen zij ruimte om actie te ondernemen. „We zagen dat er rond beklaagde een nieuwe generatie van onderzoekers kwam, die te maken kreeg met dezelfde gedragingen en dezelfde praktijken. Op dat moment voel je dus niet alleen maar verantwoordelijkheid voor jezelf. Je denkt: als ik nu niets zeg dan gaat dit voor eeuwig en altijd zo door. Dat was het moment dat we besloten om keihard aan de bel te trekken.

„In het begin waren we echt heel bang. Je moet je voorstellen dat je nog steeds op dezelfde afdeling werkt, je mag niks aan collega’s vertellen, je bent jarenlang afhankelijk van iemand geweest, die een grote ster was, en je weet niet wat voor gevolgen dit gaat hebben. We waren zo bang dat het zich tegen ons zou keren, dat we in het begin ons niet als klagers durfden te identificeren.”

Aantijgingen

De wetenschappelijk directeur bij wie ze zich gemeld hadden vond de aantijgingen na een kort vooronderzoek echter zo ernstig, dat hij besloot de aangifte in zijn eentje te doen. De drie klagers sloten zich daar later alsnog bij aan. Volgens Steenbergen omdat ze als niet-klager buitenstaander werden in het proces dat ze zelf in gang hadden gezet. Ze kregen wel de vraag om als anonieme getuigen belastend materiaal aan te leveren, maar ze hadden geen toegang tot het dossier of tot het weerwoord van Colzato. „Dat voelt heel gek”, zegt Steenbergen, „dus toen hebben we met zijn drieën besloten – het is of alle drie of niemand – we gaan ervoor, en we zien wel wat er gebeurt.”

Colzato is kort daarna, in maart, op non-actief gesteld. „Niet om disciplinaire redenen, maar om het onderzoek en de privacy van alle betrokkenen te beschermen, ook van beklaagde”, zegt Wouters. „Vervolgens heeft beklaagde zelf ontslag genomen. Dat is in juni geweest, met de afspraak het dienstverband met ingang van 1 oktober te beëindigen.”

De commissie wetenschappelijke integriteit concludeerde dat de klachten grotendeels gegrond waren. De klagers krijgen van de universiteit het voordeel van de twijfel, hoewel zij onderdeel waren van het wangedrag. Belangrijker lijkt dat zij het hebben aangedurfd een klacht in te dienen.

De commissie wijst Colzato aan als enige schuldige. Zij was als senior verantwoordelijk voor het onderzoek en de zuivere wetenschap daarin, maar werkte die bewust tegen. Er ontstond een angstcultuur.

Emotioneel afhankelijk

Steenbergen: „Je wordt niet alleen professioneel afhankelijk van zo iemand maar ook emotioneel. Als je veel produceert en hard werkt, wordt dat door de beklaagde supersnel en uitbundig beloond, maar als je even iets minder produceert, of je beklaagt omdat je het niet eens bent met een bepaalde procedure, dan wordt dat keihard afgestraft. We hebben het er met zijn drieën vaak over gehad; wat moeten we doen? Samen bekrachtig je dan ook een beetje de angst: met wie moeten we dan praten? Iedereen lijkt het hiermee eens te zijn, wie zijn wij dan om daar iets over te zeggen? Het klinkt misschien heel gek, maar je kan echt niks als je erin zit. Je leert ook om niemand anders te vertrouwen, behalve de mensen in de groep.”

„Op dat punt hebben we als universiteit wat te leren”, haakt decaan Wouters in. „We moeten zorgen dat er een opener manier van wetenschap bedrijven tot stand komt waarin veiligheid en vertrouwen ontstaat. Die moet ook gekweekt worden door leidinggevenden, om elkaar kritische vragen te kunnen stellen. Dan voorkom je misschien ook dat mensen de mist ingaan of de bocht afsnijden.

„Los van deze integriteitszaak was ook al duidelijk dat hier verbetering nodig is. Naar aanleiding van het jaarverslag over 2018 van de vertrouwenspersoon hebben we al een werkklimaatonderzoek ingesteld.”

Colzato is getrouwd met een van de hoogleraren bij het Instituut Psychologie, Bernhard Hommel, die indertijd bovendien sectievoorzitter was. Hij is bij meer dan de helft van de publicaties van Colzato co-auteur. Heeft dat ook een rol gespeeld?

Wouters neemt het woord: „Als universiteit hebben we een gedragscode over hoe je met relaties op het werk omgaat. Die is erop gericht te voorkomen dat de gezagsverhoudingen en persoonlijke relaties met elkaar verknoopt raken. Want dat creëert natuurlijk onveiligheid. In het integriteitsrapport wordt dit niet genoemd als een oorzaak van het probleem en de echtgenoot van de beklaagde staat buiten de WI-zaak. Het werkklimaat in de sectie zie ik niet als de oorzaak van het schenden van de integriteit, maar het heeft wel bijgedragen aan het onveilige gevoel bij de junior-onderzoekers.”

Prestatiedruk

Wat ook meespeelde is de prestatiedruk, zegt Wouters. Colzato publiceerde met haar kleine groep tientallen wetenschappelijke publicaties per jaar, in de jaren 2016 en 2017 staan er zelfs meer dan twintig publicaties op haar naam. Wouters: „Wetenschappers worden beoordeeld op performance, met de nadruk op ‘high-impact-tijdschriften’. Je moet enorm presteren, veel publiceren, veel geciteerd worden en het liefst er ook nog de krant mee halen. Blijkbaar kan niet iedereen tegen die individuele prestatiedruk. Ik vind zelf dat de universiteit daarin is doorgeschoten. We moeten die druk verminderen, want daarmee haal je wel degelijk een verleiding weg om de fout in te gaan.”

De klagers hebben een loodzwaar jaar achter de rug, vertelt Steenbergen, vooral omdat ze erover moesten zwijgen. „Juridisch en rationeel kun je het niet over deze casus hebben zolang er nog geen objectieve commissie is geweest die ernaar gekeken heeft en conclusies heeft getrokken. Iemand is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Dat begrijp je heel goed maar emotioneel is het heel erg verwarrend.”

„Dat betekent dat je ook veel aan jezelf gaat twijfelen. Is het echt wel zo erg? De angst speelt op dat je alles gaat verliezen, want alles staat op het spel. De twee andere klagers en ik hebben het afgelopen jaar dan ook bijna geen tijd en energie in ons onderzoek kunnen steken. Daar konden wij ons echt niet meer toe zetten. Ondertussen zie je dat iedereen om je heen gewoon doorgaat, zoals met beurzen aanvragen. Dat is heel lastig.”

De toekomst is nog onzeker, zegt Steenbergen aan het eind van het gesprek: „We weten niet of deze zaak onze carrière zal beïnvloeden. We hebben alle drie de ambitie om verder te gaan in het onderzoek. Dat is ook de reden waarom we dit hebben aangekaart: je wilt goede wetenschap. Dat staat voorop. Persoonlijk wil ik naar collega’s toe laten zien dat het oké is om over dit soort dingen te praten. Je mag me alles vragen en laten we vooral elkaar ook hierin helpen zodat niemand ooit nog zo geïsoleerd is dat het nog een keer kan gebeuren.”