Opinie

De schuld groeit met de dag, en ik krijg zin in onschuld

Maxim Februari

Een vrouwenstem belooft me iets. Ik ben moe, het is een lange dag geweest, een lange maand, ik rijd door de storm en Eva Cassidy zingt me via de autoradio troostend toe. Ze doet nooit lichtvaardig beloftes, zingt ze, en, oké, ze heeft intussen ook wel een aantal van haar beloftes gebroken. Maar nu zweer ik je, zingt ze, ik zweer je dat we in de dagen die ons nog resten zullen wandelen door gouden velden. In fields of gold.

Thuis knip ik de lichten aan. Te moe om te koken. Te verloren om te eten. Met al het koortsige wereldnieuws van de dag in mijn hoofd val ik neer in een stoel; er moet ergens in een verzameling nog een oud liedje zijn van Chava Alberstein. Ik zoek ernaar en dan hoor ik ook haar een belofte doen. Er zullen dagen komen van vergeving en genade, zingt Alberstein. En jij, je zult door het veld wandelen, alleen, als een onschuldige reiziger.

De belofte van onschuld overrompelt me. Ik heb dit liedje al vaker gehoord, maar nu treft de tekst me opeens midden in het schuldbesef dat dagelijks wordt aangewakkerd door de nieuwsberichten. Natuurlijk is de mensheid al schuldig sinds ze uit het paradijs is gevallen, maar het lijkt wel alsof de schuld met de dag groeit. Mijn tas, bij de deur, zit vol met erge problemen en nog veel ergere oplossingen. De wereld kraakt. En dan dit liedje.

At telchi basade’ heet het: ‘Je zult door het veld lopen’. De tekst is van de twintigste-eeuwse dichteres Leah Goldberg. „Je zult door het veld lopen als een onschuldige reiziger en je blote voeten zullen het gras strelen; de korenaren zullen je prikken en hun prikken zal zoet zijn.” Ik laat het nog een keer afspelen. En dan nog een keer. „Een lichte regenbui zal op je schouders, je borst en je hoofd vallen en je verfrissen.”

Ketterij, de ketterij van de normaliteit, zeggen commentatoren. Ze verwijzen naar een essay van Leah Goldberg zelf, over de moed van het gewone, ‘The Courage of the Mundane’. Kennelijk is er moed voor nodig om niet over de grote ideeën van je tijd te spreken maar over het prikken van de korenaar. En dat er moed nodig is, betekent dat het alledaagse een onderwerp is waarmee je je moet verzoenen, dat excuses nodig heeft en uitleg.

Mijn mailbox en die vermaledijde tas bij de deur zitten vol met schuldverwijten aan de mensheid. De berichten gaan over afval, conflict en over individualisme. We zijn te rijk of te arm, te gelukkig of te ongelukkig, te dik en te dun, te dit en te dat. Oplossingen dringen aan op groepsvorming, gemeenschapsdenken, controle, groei, dwang, innovatie, toezicht, samen voor- of achteruit.

Maar in dit liedje klinkt opeens de belofte dat je door het veld zult lopen, alleen en onschuldig, en dat de stilte in je zal oprijzen. Haal adem, zingt Chava Alberstein. Haal adem en ontspan.

De poëzie van de alledaagsheid is in de twintigste eeuw nooit simpel geweest, zeker niet voor dichters en zangers als Goldberg en Alberstein, die vanuit Litouwen en Polen naar het Midden-Oosten kwamen. Het moest wel eerst ernst worden met de dagen van vergeving en genade, voordat het tijd zou zijn om te ontspannen en adem te halen. Je zult alleen door het veld lopen, zingt Alberstein, en je zult je niet meer branden aan de hitte van het vuur in de straten. Nee, naïef is de belofte van een wandeling door het veld niet. Alledaags wel.

Het liedje beweert dat de dingen en het leven simpel zijn. „Je mag ze aanraken”. Er is hooguit moed voor nodig om een leven te leiden dat niet wordt opgetild door de grandeur van de geschiedenis en niet overstemd door de bravoure van de politiek. Door het veld wandelen en de zon zien weerspiegelen in een waterplas: het is allemaal op de rand van kitsch natuurlijk, ware het niet dat het wereldnieuws op de achtergrond schettert en dat je er expliciet toestemming voor nodig hebt om adem te halen en te ontspannen.

Terwijl ik het liedje nog eens afspeel, begin ik zin te krijgen in mijn onschuld. Eigenlijk in het hele scenario van veld, koren, regen en zon. Maar nog het meest in de schuldeloosheid die Chava Alberstein me belooft. Al zegt mijn verstand, altijd in de contramine, dat ik moet oppassen voor valse beloftes van onschuld die in omloop zijn: politieke messiassen die schuld van je willen overnemen in ruil voor je stem. Maar ik laat mijn verstand lekker kletsen. Het leven en de dingen zijn simpel vanavond. Je kunt ze aanraken.

Voor de zoveelste keer loopt het liedje op zijn eind. Ik haal adem en ontspan. Je zult in je eentje door het natgeregende veld wandelen, zingt Chava Alberstein. En je zult nederig en onderdanig zijn als het gras. Als een mens.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.