De man doet het bij voorkeur breed

Vanuit de VS schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: een eenvoudige boterham verorberen alsof het een bloederige steak is, dat kan de man.
Illustratie Eliane Gerrits

De man tegenover me in het café eet een sandwich. Maar niet zomaar. Iedereen moet meegenieten. Hij valt aan op het broodje als een holenmens op een mammoetbout. Zijn kaken malen het voedsel eindeloos, alsof het om een wedstrijd gaat hoe lang je het eten in je mond kunt houden.

Het valt niet mee om een echte man te zijn in deze wereld. Je hebt veel te vertellen, je neemt veel plaats in en je hebt veel honger.

Daarom is er mansplaining. De behoefte van mannen om van alles en nog wat uit te leggen aan vrouwen. Liefst dingen waarvan ze geen verstand hebben. Of waarvan ze alleen maar de klok hebben horen luiden. Van Brexit tot zelfrijdende auto’s, van Trumps impeachment tot vrouwenquota, het wordt door hen allemaal nog eens haarfijn uitgelegd. Daar hoeven ze geen boek of krant voor gelezen te hebben. Je bent man, dus je weet gewoon hoe het zit.

Ooit, in een kabelbaantje in de Franse Alpen, zat ik tegenover een vader met twee dochtertjes. Hij wees alle bergtoppen aan. „Daar ligt de Matterhorn, daar de Mont Blanc en verderop de Monte Rosa.” De meisjes luisterden gedwee. Maar alles en dan ook echt alles wat hij zei, was apert fout. Hij wees totaal in de verkeerde richting. Toen de jongste, een eigenwijs meisje met een brilletje, een van deze geografische ‘feiten’ voorzichtig in twijfel trok, sprak de vader haar bestraffend toe. Wist zij veel.

Naast breedsprakig zijn, kun je je ook letterlijk breed maken. Manspreading is een andere manier om je als man te manifesteren. In metro, trein en bus neem je zoveel mogelijk ruimte in, zodat niemand om je heen kan. Je spreidt je benen zo wijd mogelijk, duwt de personen naast je weg en neemt zo drie zitplaatsen in. Daarbij dwing je de vrouwen tegenover je tot een blik op je meest mannelijke plek. Mooi meegenomen.

Maar er is nog een derde mannelijke weg: breed eten. Wat ik maar ‘maneating’ ben gaan noemen. Eten als een oerman en wel zo opzichtig mogelijk. Zoals de man tegenover me in het café. Liefst dwars door alle gesprekken heen. Nu ik erop ben gaan letten, zie ik het meer en meer om me heen. De eenvoudigste boterham wordt verorberd alsof het een bloederige steak is. „Goed kauwuh, hè, dat je etuh gelijkmatig in je bloed komp,” om met de Klisjeemannetjes te spreken.

De meesten van ons doen moeite hun mond tijdens het eten dicht te houden, om geen geluiden te maken. Maar niet de echte man. Hij probeert juist zo luidruchtig mogelijk te smakken. Ik eet, dus ik ben. Na de maaltijd wordt met een tandenstoker even opzichtig het eten tussen de tanden verwijderd, waarbij de viezigheid door de ruimte spat, bij voorkeur op de jurk van de vrouw tegenover hem.

Het is duidelijk. Als man laat je de kaas niet van het brood eten. Zeker niet door een vrouw. Caesar, ook zo’n echte man, zei het al: ik sprak, ik zat, ik at.

Reacties naar pdejong@ias.edu