De inspectie zet wel vaker druk op schoolbestuurders

Onderwijs De Onderwijsinspectie oefende druk uit op de directeur van het Haga Lyceum om op te stappen. De inspectie doet zoiets vaker.

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam
Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam Foto Olivier Middendorp

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam is niet de eerste school waar de Onderwijsinspectie druk heeft uitgeoefend om schoolbestuurders te laten opstappen. Het is een „trend van de aflopen jaren waarbij inspectie en het ministerie van Onderwijs op informele wijze het vertrek van bestuurders proberen te bewerkstelligen”, zegt onderwijsjurist Martijn Nolen van de Tilburg University. Hij promoveerde in 2017 op onderzoek naar onderwijsbestuurders en de bevoegdheden die de minister van Onderwijs heeft om daar in te grijpen.

NRC berichtte maandag dat de inspectie druk uit heeft geoefend op het Haga Lyceum om directeur Soner Atasoy te ontslaan. Terwijl de inspectie nog volop bezig was met onderzoek naar de islamitische school, gaf ze het schoolbestuur het dringende advies de directeur aan de kant te zetten – anders zou het straks wel eens te laat kunnen zijn. Volgens meerdere hoogleraren onderwijsrecht ging de inspectie daarmee te ver.

Onderwijsjurist Nolen noemt in zijn proefschrift zes andere scholen waar bestuurders onder druk zijn gezet op te stappen, zonder dat er een inspectierapport was vastgesteld. Dat gebeurde onder meer in 2013 bij het ROC Leiden dat in financiële problemen verkeerde en in 2018 bij het VMBO Maastricht toen het daar het mis ging met eindexamens.

Lees meer over de problemen bij de ROC Leiden

In ‘informele gesprekken’ worden schoolbestuurders erop gewezen dat de minister hen kan laten verwijderen via een ‘aanwijzing’. Bestuurders kiezen na zo’n „dreigement” bijna altijd eieren voor hun geld.

‘Er gebeurt altijd iets’

Het ministerie en de inspectie beschikken over onvoldoende wettelijke middelen om in te grijpen „bij crisissituaties”, zegt hoogleraar onderwijsrecht Renée van Schoonhoven van de Vrije Universiteit in Amsterdam. „En als de Tweede Kamer dan zegt: ‘Minister, u moet ingrijpen want u kunt dit de leerlingen niet aandoen!’, dan kan de minister eenvoudigweg niet zeggen dat hij niets kán. Dus gebeurt er altijd iets.”

Bij scholenkoepel Amarantis in 2012 kreeg de Onderwijsinspectie in eerste instantie juist het verwijt níet snel genoeg te hebben ingegrepen. Ze had niet op tijd door dat de scholen in financiële nood zaten en was te goed van vertrouwen. Uiteindelijk stuurde de onderwijsminister, buiten de wettelijke bevoegdheden om, een interimbestuurder naar Amarantis in een– mislukte – poging die te redden.

Foto Jerry Lampen/ANP

De inspectie en het ministerie proberen problemen informeel op te lossen in het belang van leerlingen, zegt Nolen. „Die wil je niet de dupe laten worden van een discussie op bestuurlijk niveau. Voor hen is soms het beter als de bestuurders gauw plaatsmaken en de school in rustiger vaarwater komt.”

Nolen wijst erop dat dit zware drukmiddel te „lichtzinnig” wordt ingezet: „Het tast de rechtspositie van onderwijsorganisaties en hun bestuurders aan” – omdat op dat moment nog niet is vastgesteld dat sprake is van misstanden. Ook is onduidelijk hoe vaak minister en inspectie „achter de coulissen” informele druk uitoefenen.

Vastberaden om niet te laks over te komen, reageerde de inspectie in 2018 stevig op misstanden bij het VMBO Maastricht. Na politieke druk kreeg de bestuurder van de school in informele gesprekken te horen dat hem een aanwijzing te wachten stond, waarop hij opstapte. De inspectie schoof vervolgens een voormalig hoofdinspecteur naar voren om orde op zaken te stellen.

Foto Piroschka van de Wouw/ANP

Dát het gebeurt, heeft te maken met de „dubbele pet” die de politiek aan de inspectie heeft gegeven, zegt Nolen. „De inspectie heeft zich in de positie laten dringen van feitelijk onderzoeker, inhoudelijk beoordelaar en politiek afweger.” De inspectie bepaalt of de tekortkomingen moeten leiden tot het stempel ‘wanbeheer’. Is dit het geval, kan de minister weinig anders doen dan het bestuur wegsturen. „Het oordeel wanbeheer is een hele zware constatering en gaat over personen”, zegt Nolen. „Normaal gesproken vragen we bij maatregelen tegen personen de rechter om een oordeel. Zo gaat dat in het strafrecht en het ondernemingsrecht. Het is eigenlijk heel gek dat in het onderwijs de inspectie zelf dit oordeel velt.” Ook is een probleem, zegt Nolen, dat als een bestuurder weet dat het oordeel wanbeheer boven zijn hoofd hangt, hij minder geneigd zal zijn mee te werken aan het onderzoek.

Toeschrijven naar de conclusie

Een ander risico is dat de inspectie gaat „toeschrijven” naar de conclusie van wanbeheer, zegt Nolen. „Soms weet je niet precies wat er op een school aan de hand is, dus ga je op zoek naar een haakje waarmee je een politiek-bestuurlijk probleem kunt oplossen: het vaststellen van wanbeheer kan dat haakje zijn.” Nolen heeft sterk de indruk dat dit in de Haga-zaak het geval is geweest: „De schijn van tunnelvisie en vooringenomenheid is nu wel heel groot.”

Voordat het ROC Leiden in 2015 in financiële problemen kwam, werden bestuurders gewaarschuwd dat de minister hen naar huis zou sturen. Daarna stelde het ministerie een ‘regisseur’ aan, een oud-topambtenaar. Het inspectieonderzoek werd gestopt, omdat dat de regisseur in de weg zou zitten. Het leidde tot een machtsstrijd binnen de school en een faillissement kon alleen worden voorkomen door financiële hulp van het ministerie.

Foto Jaap Arriens/Getty Images

De hoogleraren onderwijsrecht Paul Zoontjens (Tilburg University) en Miek Laemers (VU) zetten eerder kanttekeningen bij enkele bevindingen in het inspectierapport. Zo mag de inspectie volgens hen alleen controleren of burgerschapsonderwijs wordt aangeboden en niet de inhoud daarvan. Rechters spreken zich de komende maand over het rapport uit. Dan wordt duidelijk of het Haga zijn financiering kwijtraakt.

Nolen pleit ervoor om de rechtelijke toetsing naar voren te halen. „Nu is het besluit al genomen en vervolgens gaan we steggelen bij de bestuursrechter.

Lees ook hoe de Onderwijsinspectie bij het Cornelius Haga Lyceum optrad

Dan ben je zo een jaar verder. Ondertussen zitten leerlingen, ouders en personeel in onzekerheid over het voortbestaan van de school en kan de minister niet meer met goed fatsoen terugkomen van zijn besluit.”

Het zou „zuiverder” zijn, zegt hij, als de inspectie zich zou beperken tot feitenonderzoek en bij vermoedens van wanbeheer de zaak meteen aan bijvoorbeeld de Ondernemingsrechter voorlegt. „Daarmee maak je de inspectie minder kwetsbaar voor het verwijt vooringenomen en politiek gestuurd te zijn.”