Interview

Waar blijven de nieuwe Nederlandse zwemsterren?

André Cats De Olympische Spelen van Tokio volgend jaar worden waarschijnlijk de laatste van Ranomi Kromowidjojo en Femke Heemskerk. Maar nieuwe toppers dienen zich nog niet aan. Er is geld nodig voor scouting.

Arno Kamminga verbeterde tijdens de Swim Cup in Amsterdam de Nederlandse records op de 50 en 100 meter schoolslag. Foto Sander Chamid/Hollandse Hoogte

Terwijl pre-olympisch grootverdiener Kira Toussaint zich op de eerste verdieping van het Amsterdamse Sloterparkbad met gebalde vuist verzekerd weet van een startbewijs voor de Spelen van Tokio op de 100 meter rugslag, tracht de technisch directeur van de zwembond in een oranje-blauwe joggingoutfit positieve vergezichten te schetsen voor de jaren die komen gaan. Het is nodig ook, want na het debacle van Rio in 2016 – nul medailles, voorafgegaan door pesterijen, een sfeer om te snijden, het aftreden van de toenmalige ‘chef’ – en vorig jaar een bijna even beroerd WK in Zuid-Korea – één bronzen plak – ligt de Nederlandse zwemsport mondiaal op z’n gat. Gouddelvers van weleer zijn in de herfst van hun loopbaan beland – Ranomi Kromowidjojo (29) zal binnen afzienbare tijd gaan stoppen, Femke Heemskerk (32) idem – en nieuw talent komt maar stroperig door. „We moeten realistisch zijn”, zegt André Cats, „en niet verwachten dat dat zomaar ineens anders is”.

Failliet

Cats trad aan om de kliederboel bij de zwembond op te ruimen, in het najaar van 2016, luttele maanden na het sportieve failliet van Nederland zwemland. Nul medailles is beneden de ondergrens voor een natie die zich als geen ander met water heeft weten te verzoenen en traditioneel in die sporten ook goed presteert – hoewel we de twee olympische titels in de baai van Copacabana niet mogen vergeten. Maar in het bad was het treurnis. Er werd gesneden in de staf, in bondspersoneel, en de toelage van sportkoepel NOC-NSF ging met drie ton omlaag naar 1,4 miljoen euro – zwemmen is daarmee overigens nog steeds de vijfde sport op de ladder.

In 2018 schreef Cats een negen pagina’s tellend ‘KNZB Actieplan zwemmen 2018-2024’ waarin hij de noodklok luidt als het gaat om de doorstroom van talenten. Hij signaleert dat minder kinderen dan voorheen na het behalen van hun zwemdiploma ook willen wedstrijdzwemmen, hij ziet junioren afhaken en de jongelui die nog wel blijven zwemmen terrein verliezen ten opzichte van hun concurrenten in het buitenland. Als belangrijkste oorzaak wijst hij naar ‘kwetsbare’ verenigingen, waar veelal training wordt gegeven op ‘vrijwillige basis’. Niettemin blijft zijn olympische doelstelling voor Tokio ambitieus: Cats wil volgend jaar vijf zwemmedailles halen. „Maar dan moeten alle potjes die we op het vuur hebben staan ook lukken”, zegt hij.

André Cats, technisch directeur van de KNZB Foto LEX VAN LIESHOUT/ANP

Hij rekent op Sharon van Rouwendaal en Ferry Weertman in het open water, op de 50 meter vrije slag met Kromowidjojo en de 4x100 meter vrij bij de vrouwen. Cats: „De vijfde moet dan ergens anders vandaan komen, maar dat is nu nog niet opportuun.” Hij wil geen namen noemen. „Als ik de nieuwe Ranomi ga aanwijzen, heeft dat alleen mentale druk tot gevolg.”

Het kan niet anders of hij moet wat verwachten van het duo van dit moment, Arno Kamminga en Kira Toussaint, specialisten op respectievelijk de school- en de rugslag, trainend in Amsterdam onder coach Mark Faber. In het wereldbekercircuit wonnen ze de voorbije maanden tienduizenden euro’s aan prijzengeld en verbeterden ze steeds hun eigen nationale records, maar in het pre-olympische seizoen zijn wereldbekers niet altijd sterk bezet. Met hun huidige toptijden zouden Kamminga en Toussaint zich op het WK van afgelopen juli in Zuid-Korea in de finales hebben gezwommen, maar daarin geen medailles hebben gewonnen. En dus zegt Cats, die op mondiale toernooien wil doorgroeien naar zeven medailles: „Dat gaat niet uit de huidige groep komen, daarvoor moeten we talenten scouten.”

En daar stokt het. Zwemjournalist Jos van Kuijeren: „Mannen bleven altijd al achter, bij de vrouwen is er nu ook geen aanwas.” Volgens Cats komt dat doordat veel zwemverenigingen het financieel moeilijk hebben, omdat ze een groot deel (twee ton) van hun jaarbudget kwijt zijn aan het huren van badwater. Dan blijft er nog weinig geld over om talentvolle clubtrainers een fatsoenlijk salaris te geven en voor de club te behouden.

Gevolg is dat die, ook tijdens deze Swim Cup, op een vrijwilligersvergoeding aan de badrand staan te coachen. In het ergste geval hebben ze nog een vrije dag bij hun reguliere werkgever moeten opnemen ook. Cats wil hulp van de lokale overheid; gemeenten, zorgverzekeringen, het bedrijfsleven – „zoals het in de meeste landen gaat.” Hij spreekt van een „professionaliseringsslag” die bij zwemclubs moet gaan plaatsvinden, als Nederland internationaal weer op het hoogste niveau wil gaan meedoen.

Verloop onder clubtrainers

„We hebben clubtrainers nu niets te bieden, en daardoor is het verloop groot. Na een paar jaar om vijf uur opstaan denken ze: dit heeft geen toekomst. Ik zou heel graag zien dat ‘clubtrainer’ een professie wordt, dat talent bij tientallen verenigingen wordt begeleid, en dat dat als een olievlek verspreidt. Dáár begint het. Als een achtjarige Ranomi het op de club niet naar haar zin zou hebben gehad, was ze gaan turnen, of net als haar vader aan karate gaan doen.” In lastige tijden zijn er al clubs die dat lukt, The Hague Swimming bijvoorbeeld. Dat juich ik toe.”

De naam van de vaandeldrager van de vaderlandse zwemsport valt vaak dit gesprek. Het tijdperk Kromowidjojo is tanende. Cats realiseert zich dat zijn equipe jarenlang op haar talent heeft geleund. Op de WK zwemmen van 2017 in Boedapest won Nederland vier medailles, en steeds had Kromowidjojo een aandeel. En ook vorig jaar in Gwangju kwam de enige medaille van haar. Cats verwachtte op dat toernooi vooraf geen medailles, maar communiceerde dat niet goed naar de pers, waardoor chagrijnige verhalen de kolommen vulden. Het verwachtingspatroon moet worden bijgesteld, zegt hij. „We moeten zorgen dat we met andere zwemmers op eigen benen kunnen staan. Maar laten we ook eerlijk zijn: we hebben nooit vijf toppers tegelijkertijd gehad. Er is een wisseling van de wacht aangebroken. Op topniveau is het wennen aan een nieuwe realiteit.”