De politiek moet snel besluiten over het gebruik van particuliere dna-databanken, vindt de advocaat-generaal van de Hoge Raad

Foto Niels Wenstedt/ANP

Interview

Hobby-databanken als nieuwe opsporingsmethode

Onopgeloste zaken De politiek moet besluiten over het gebruik van particuliere dna-databanken, vindt de advocaat-generaal van de Hoge Raad

„Ze noemen het daar niet voor niets het Wilde Westen, hè?” Diederik Aben, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, glimlacht. Het gaat over de Amerikaanse politie, die in anderhalf jaar tijd zo’n zeventig onopgeloste zaken wist op te lossen. Zaken die onoplosbaar leken te zijn, waarbij het onderzoek was vastgelopen ondanks de beschikbaarheid van dna.

Neem een van de meest beruchte seriemoordenaars uit de Amerikaanse geschiedenis, die dertien moorden zou hebben gepleegd en vijftig vrouwen verkracht. Hij werd na jaren toch aangehouden. Het wondermiddel: dna-spoor dat door de politie werd geüpload in een genealogische dna-databank. Het bijzondere is dat die banken niet in handen zijn van de overheid. Het gaat om particuliere testbedrijven zoals FamilyTreeDNA en om GEDmatch, een databank waarin je dna-profielen kunt oploaden.

Omdat ze merkten dat veel mensen niet op de hoogte zijn van deze ontwikkelingen in de VS, ook niet in de juridische wereld, schreef dna-deskundige Lex Meulenbroek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) samen met Diederik Aben een boekje over de opsporingsmethode. Een hooiberg vol spelden, dat deze week uitkomt. „Er zijn in Nederland zo’n 1.700 cold cases en minstens 900 ongeïdentificeerde doden”, zegt Lex Meulenbroek. „En met deze methode kan in principe een deel daarvan worden opgelost.”

Cold case-teams in Amsterdam en Rotterdam zijn al langer geïnteresseerd. In februari lieten ze NRC weten dat ze de Amerikaanse particuliere databank GEDmatch willen inzetten om de identiteit van onbekende doden te achterhalen, die geen slachtoffer zijn geweest van een misdrijf. Juristen van de politie, het OM, het NFI en het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn volgens Meulenbroek nog steeds in overleg over de vraag of dat met de huidige wetgeving wel kan.

Politiek aan zet

Met hun boekje hopen Meulenbroek en Aben te bereiken dat de politiek het onderwerp op de agenda zet en er een maatschappelijk debat komt over de het gebruiken van particuliere dna-databanken. Volgens Aben is klassiek dna-onderzoek zoals de politie dat nu doet in de Nederlandse wet keurig geregeld, maar is nooit nagedacht over deze nieuwe methode, omdat het pas zo kort speelt. „De huidige wetgeving kent de nodige haken en ogen, maar het is ook niet zo dat we deze methode zeker niet mogen uitvoeren volgens de wet.” Daarom vindt de advocaat-generaal het belangrijk dat de politiek er een beslissing over neemt.

Lees ook: Nederlandse politie wil gebruikmaken van particuliere dna-databank in VS

Als een klein deel van de bevolking dna ter beschikking stelt kan via deze dna-banken en stamboomonderzoek vrijwel iedereen opgespoord worden. Meulenbroek: „In theorie is het zo dat als 2 procent van de Nederlandse bevolking zegt dat haar dna in een databank mag om misdrijven op te lossen, met deze techniek elk spoor met voldoende dna kan worden geïdentificeerd.”

Bedoeld voor hobbyisten

Daarom gebruikt de Amerikaanse politie de databanken om zaken op te lossen. Maar daar is discussie over: de databanken zijn immers opgezet voor hobbyisten die verwanten zoeken, niet voor politieonderzoek. Nadat een aantal zaken werden opgelost hebben de databanken GEDmatch en FamilyTreeDNA de voorwaarden aangepast: de politie mag het dna-profiel van een dader alleen nog maar vergelijken met deelnemers die daar toestemming voor hebben gegeven.

Bij lokale rechtbanken zijn inmiddels al mensen veroordeeld die gevonden zijn via genealogische particuliere databanken. „Maar het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft er nog geen uitspraak over gedaan”, zegt Aben.

Lees ook: Dna van verre familie geeft anonieme doden een naam

Of de methode ook in Nederland onder de huidige wetgeving kan worden gebruikt, moet de advocaat-generaal „in het midden laten.” Wel is het zo dat materiaal dat door de politie wordt vergaard en waar privacy van mensen is geschonden, soms toch als bewijs kan worden gebruikt. Aben: „De jurisprudentie van de Hoge Raad is zo dat, als de politie bijvoorbeeld een doorzoeking in een huis doet zonder machtiging en ze vinden materiaal, de Hoge Raad niet zonder meer zegt dat het niet gebruikt mag worden. Dus ook materiaal dat in strijd met bepaalde regels is verkregen, mag je soms gebruiken. Ik sluit niet uit dat als het zoeken in Amerikaanse particuliere dna-databanken leidt tot het vinden van een dader, zo iemand in Nederland toch veroordeeld wordt.”

Aben zegt het „menselijkerwijs” te begrijpen als een Nederlands rechercheteam de methode nu al zou gebruiken, maar dat hij er als jurist moeite mee heeft. „Ik denk: justitie moet zich aan de regels houden. Die regels zijn nu kwestieus, dus waarom zou je het risico nemen? We moeten wachten totdat de wetgever zich uitspreekt.” De ontwikkelingen in Amerika zijn volgens Meulenbroek zo stormachtig omdat de politie daar zelf is gaan uploaden. „In Nederland willen wij eerst dat het goed geregeld is, de Amerikanen zijn het gewoon gaan doen.”

Achilleshiel

Meulenbroek zegt dat de kracht van de opsporingsmethode ook de achilleshiel is. „We hebben het over het uploaden van een dna-profiel door de Nederlandse politie in een databank in een ander land. Door dat profiel te uploaden, is er ook meteen informatie beschikbaar over heel verre familieleden. Het heeft daardoor impact op de privacy van veel mensen.” Daarom is het ook zo belangrijk dat de politiek beslist of en hoe de nieuwe opsporingsmethode in Nederland ingezet moet worden. Aben: „Deze ontwikkelingen moeten gewoon onder de aandacht komen”