‘Onderwijsinspectie ging te ver in Haga-zaak’

Bijzonder Onderwijs De onderwijsinspectie dreigde met sluiting van het Haga Lyceum als de directeur niet vertrok.

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam-West.
Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam-West. Foto Olivier Middendorp

De Inspectie van het Onderwijs trad buiten haar bevoegdheden en leed aan „tunnelvisie” in haar onderzoek naar het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Tot die conclusie komen vier hoogleraren onderwijsrecht na onderzoek van NRC. Daaruit blijkt onder meer dat de inspecteurs nog tijdens het lopende onderzoek naar de omstreden islamitische school het bestuur onder druk zetten om schooldirecteur Soner Atasoy aan de kant te zetten. De vier hoogleraren roepen de inspectie op haar handelen in deze zaak te evalueren.

Lees ook onze reconstructie van de maatregelen tegen het Haga Lyceum

Nadat de AIVD in januari dit jaar waarschuwde voor radicale salafisten op en rondom het Haga, gooide de inspectie een positief rapport over de school in de prullenbak. Maanden later kwam ze in een nieuw onderzoek tot een negatief oordeel – onder meer over de financiën. Hierop kondigde minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) aan de bekostiging van de school te stoppen.

Gedurende het nieuwe onderzoek ontbood de inspectie op 19 april twee Haga-bestuursleden op haar hoofdkantoor. Het bestuur moest zich afvragen of Atasoy wel „degene op de juiste plek” is. Er werd gesuggereerd dat als het bestuur niet tegen hem in zou grijpen, de school zou moeten sluiten.

Zwaard van Damocles

Volgens Pieter Huisman, hoogleraar onderwijsrecht aan de Erasmus Universiteit, dreigde de inspectie hier met een zogenoemde ‘aanwijzing’, terwijl dit de bevoegdheid van de minister is. „Dit zware middel wordt hier ingezet als een zwaard van Damocles tegen een directeur die ongewenst gedrag vertoont. Dat is uiteraard niet de bedoeling.”

Ook emeritus hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens (Tilburg University) noemt het handelen van de inspectie „onaanvaardbaar”. Zoontjens: „In mijn ogen kan nu niet langer worden volgehouden dat de inspectie onafhankelijk en onpartijdig is geweest in deze casus.”

Uit interne e-mails verkregen op basis van de Wet openbaarheid van bestuur, blijkt dat minister Slob al in maart het „nadrukkelijke verzoek” uitte alle mogelijkheden te verkennen de financiering van de school te stoppen, desnoods „buiten de reguliere onderwijswetgeving om”. Het onderzoek moest vanuit dit „perspectief” worden voorbereid, mailde een directeur van het ministerie van Onderwijs in maart aan inspecteur-generaal Monique Vogelzang. Zij ontkent dat deze boodschap aan haar was gericht, maar de onderwijsexperts noemen de mail ongepast. „Dit leest als een instructie aan de inspectie, en dat kán helemaal niet”, zegt Miek Laemers, emeritus hoogleraar onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU).

De experts vragen zich bovendien af waarom de inspectie deelnam aan vergaderingen van een ambtelijke taskforce, die opties verkende om het Haga te sluiten. De inspectie zegt dat zij aanschoof om uitleg te geven over haar eigen rol, maar notulen suggereren dat ze meedacht over de „meest kansrijke” opties om een belastend dossier op te bouwen. De hoogleraren noemen dit niet verstandig. „Ik had mij er niet toe laten verleiden vanwege het risico dat je bevooroordeeld raakt”, zegt Renée van Schoonhoven, hoogleraar onderwijsrecht aan de VU.

„Nu betreft het een islamitische school, straks een andere. Er worden grenzen overschreden en dat is zorgelijk”, zegt Van Schoonhoven. De Onderwijsinspectie zegt in een reactie achter het Haga-onderzoek te staan. „We hebben van niemand opdracht gekregen om ons onderzoek op een bepaalde manier in te richten of tot een bepaalde uitkomst te komen.”

Overheidscampagne pagina 4-7