Hoe de Onderwijsinspectie haar boekje te buiten ging bij het Cornelius Haga Lyceum

Onderwijs Een AIVD-bericht over ondemocratisch onderwijs leidde tot diverse maatregelen tegen het Cornelius Haga Lyceum. Nu blijkt die melding deels onvoldoende onderbouwd. Verslag van een overheidscampagne tegen de school.

Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam.
Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Foto David van Dam

Femke Halsema: „Overigens ben ik heel benieuwd wat het tekeningetje betekende dat u mij stuurde.” Soner Atasoy: „Welk tekeningetje? Dat was een middelvinger.”

Halsema: „Dat dacht ik al. Goed.”

Atasoy: „Ja, alstublieft.”

„Dank u wel.”

„Voor de middelvinger of voor het gesprek?”

„Het gesprek.”

Het is kwart voor vijf, donderdag 7 maart 2019. Een verbeten Soner Atasoy zit tegenover burgemeester Femke Halsema, onderwijswethouder Marjolein Moorman en vier ambtenaren in de collegekamer op de tweede verdieping van het stadhuis van Amsterdam. Tussen hen in staat een ovale tafel, vier meter breed. Atasoy heeft net gehoord dat hij afscheid moet nemen van het Cornelius Haga Lyceum, de islamitische middelbare school die hij anderhalf jaar eerder heeft opgericht. Per bode was hij gesommeerd binnen een uur op het stadhuis te zijn. Zijn antwoord, getekend op de brief retour: een middelvinger.

„Over uw school hebben ons heel verontrustende signalen bereikt”, was Halsema van wal gestoken, nadat zij en Atasoy achtereenvolgens hadden aangekondigd het gesprek op te nemen. Volgens terrorismebestrijder NCTV wordt op het Haga Lyceum „antidemocratisch onderwijs” gegeven. „Er zijn mensen aan uw school verbonden – waaronder uzelf – die een verleden hebben in extremistische organisaties.” De burgemeester vertrouwt er niet op dat het Haga leerlingen „op een veilige democratische manier” vormt. Maatregelen moeten er komen. Het curriculum dient „met de beginselen van de democratische rechtsstaat” in overeenstemming te worden gebracht. Degenen die relaties onderhouden met extremisme „moeten van de school verdwijnen” en Halsema heeft er „weinig vertrouwen” in dat Atasoy dat zal doen. En dus, zegt Halsema, „willen wij u vragen af te treden, samen met het gehele bestuur”.

Na anderhalve minuut aan opgesomde verwijten van Halsema is het even stil.

„Ok”, neemt Atasoy het woord. „Dat was het?”

Dit gesprek van een kwartier zou het startschot worden van een strijd tussen het Haga en de overheid die negen maanden later nog altijd niet beslecht is. Een strijd waarbij de kwaliteit van onderwijs aan honderden kinderen op het spel staat, die de onafhankelijkheid van de Onderwijsinspectie raakt en die de discussie over de vrijheid van onderwijs opnieuw heeft aangezwengeld.

Een half uur nadat Atasoy het stadhuis verlaat, versturen Halsema en de NCTV alarmerende brieven naar de gemeenteraad en Tweede Kamer. In de media wordt het verhaal van de contacten tussen het Haga en Tsjetsjeense terroristen breed uitgemeten. Een groot deel van de Kamer wil dat de school sluit. Maar, blijkt al snel, dat gaat zomaar niet – zélfs niet na waarschuwingen van de veiligheidsdiensten. Alleen een leerlingentekort of aansluitende negatieve rapporten van de Inspectie van het Onderwijs zijn in de regel voldoende.

Het eerste negatieve rapport komt op 11 juli, als de Inspectie van het Onderwijs na maanden onderzoek concludeert dat Atasoy zich schuldig maakt aan financieel wanbeheer, zelfverrijking en nalatig burgerschapsonderwijs. Aanwijzingen voor antidemocratische beïnvloeding vindt de inspectie niet, maar de andere bevindingen zijn volgens minister Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) zo ernstig dat het bestuur van het Haga moet opstappen. Als zij dit weigert, kondigt de minister in oktober aan de financiering van de school volledig te stoppen – een nooit eerder opgelegde sanctie.

Vorige week vrijdag nam het verhaal een onverwachte wending toen de CTIVD, toezichthouder op de veiligheidsdiensten, in een rapport stelde dat de alarmerende inlichtingen over het Haga die de overheid naar buiten had gebracht, op punten onvoldoende onderbouwd waren. Terwijl die AIVD-informatie juist de aanleiding had gevormd voor een keur aan overheidsinstanties om in actie te komen. NRC reconstrueerde de overheidscampagne tegen het Haga op basis van audio-opnamen van gesprekken tussen onder meer de school, de gemeente en de Onderwijsinspectie, documenten en e-mails verkregen via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en gesprekken met 22 betrokkenen.

Radicale salafisten

In het Haagse Mercure Hotel is 21 januari dit jaar de vergadering net begonnen, als plots de powerpoint-presentatie op zwart gaat. Er zijn serveersters binnengekomen met koffie. Pas als ze weg zijn, kan het overleg van de taskforce problematisch gedrag & ongewenste buitenlandse financiering verder. Aan tafel zitten zo’n twintig ambtenaren van de inlichtingendienst AIVD, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding- en Veiligheid (NCTV), ministeries van Onderwijs en Sociale Zaken, Onderwijsinspectie en gemeente Amsterdam. Precies dát is het idee van de taskforce: met alle overheidspartners een aanpak bedenken voor radicale salafisten, die weliswaar niet strafbaar zijn, maar zich wel keren tegen de democratie en aanzetten tot onverdraagzaamheid. Hoewel zij volgens de AIVD een langetermijndreiging vormen, heeft de overheid tot nu toe geen middel gevonden om deze ‘salafistische aanjagers’ tegen te werken. Aan de taskforce de opdracht dit middel te bedenken. De eerste grote zaak waarover zij zich buigen? Het Haga.

De AIVD heeft een week eerder een geheim ambtsbericht over ‘aanjagers’ op het Haga uitgedaan. Het overleg in het Mercure draait vooral om de vraag of de school direct gesloten kan worden – antwoord: nee. Maar wat kan wel?

In volgende vergaderingen bedenkt de taskforce allerlei mogelijke „interventies” tegen de school. Vrijwel geen enkele bedachte maatregel wordt uitgevoerd; de deelnemers van de taskforce blijven vooral naar elkáár kijken. De discussie komt maar niet verder, omdat niemand „verantwoordelijkheid” wil nemen „om dit dossier te trekken”, mailt een ambtenaar van het ministerie van Onderwijs op 25 februari aan collega’s van het eigen departement.

Amsterdam zal later zelf een juridisch adviesbureau inschakelen dat manieren onderzoekt om het „ontslag of vertrek van de bestuursleden” van het Haga „te bevorderen”. Een van de mogelijkheden is een aanwijzing van de minister van Onderwijs, gebaseerd op een kritisch inspectierapport, met als „meest voor de hand liggende reden” wanbeheer van het bestuur. „Deze mogelijkheid”, schrijft de jurist, „verdient het om nader te worden onderzocht met het ministerie van Onderwijs”.

Als Halsema hoort dat de overleggen van de taskforce niets opleveren, neemt ze een hoogst ongebruikelijke stap. Ze benadert de burgemeesters van de drie andere grote steden en stuurt met hen een brief aan de ministerraad, waarin zij zich beklagen over de beperkte wettelijke middelen die er zijn tegen de school. Het leidt ertoe dat het Haga-dossier belandt in de ambtelijke top van de ministeries. Dáár wordt de beslissing genomen dat de inlichtingen over de school geopenbaard moeten worden om ouders te waarschuwen. Dit zou volgens de ambtelijke adviezen communicatievoordelen bieden. Zo houdt de overheid „regie” over de „boodschap” en kan zij niet het „verwijt” krijgen dat er niets gedaan is met AIVD-informatie.

Wel zit er grote tijdsdruk achter: de inschrijftermijn voor nieuwe leerlingen sluit 15 maart. Uit ambtelijk mailverkeer blijkt dat intern veel onduidelijkheid heerst over de actie. Twee dagen voordat de NCTV de vermeende connecties van het Haga met radicale salafisten naar buiten brengt, weten ze bij de taskforce en in Amsterdam nog altijd niet dat de brief openbaar zal worden.

In alle haast vergeten de ministeriële vergadertafels één cruciaal aspect: dat het in een campagne draait om beeldvorming. In de media mag het Haga na het versturen van de NCTV-brief op 7 maart te boek staan als omstreden ‘salafistenschool’, in de orthodox-islamitische gemeenschap komt een andere dynamiek op gang. En Haga-directeur Soner Atasoy is de ultieme dresseur van die dynamiek.

De dag na de brief roept hij de ouders bijeen in de hal-annex-moskee van zijn Amsterdamse school. Atasoy – blauwgrijze ogen, lichte gefronste wenkbrauwen, korte baard – spreekt hen snel en bevlogen toe. Even gemakkelijk verwijzend naar wetsartikelen als naar Koranverzen houdt hij zijn toehoorders voor hoe de berichten te interpreteren. Zijn twee belangrijkste argumenten: Als er bewijs is tegen hem, waarom loopt hij dan nog vrij rond? En: de overheid hield zes jaar lang de komst van de school tegen. Waarom moeten „wij moslims” geloven dat Nederland nu ineens het beste voor heeft met islamitisch onderwijs? Hij krijgt bijval van diverse salafistische imams die op sociale media steun betuigen aan de school en hun achterban oproepen de NCTV niet te geloven. De overheid is volgens hen bezig met een strijd tegen hun onderwijs.

Atasoy en de imams appelleren aan een breder gedragen gevoel in de islamitische gemeenschap, waarvan een deel gelooft dat de overheid moslims anders – strénger – behandelt. Een waarschuwing van de NCTV maakt op deze groep weinig indruk; belangrijker is hoe er in eigen kring gesproken wordt over de school. En zo wordt de strijd tegen het Haga een slag om de beeldvorming binnen de moslimgemeenschap.


Foto David van Dam

Foto David van Dam

Foto David van Dam

Netwerk opgedroogd

Juist voor zulke kwesties – het tegengaan van polarisering en uitleggen van lastig beleid – beschikken gemeenten en de landelijke overheid over honderden islamitische contactpersonen. Althans: in theorie. Maar nu Amsterdam zijn contacten hard nodig heeft om het overheidsingrijpen tegen het Haga uit te leggen, blijkt het netwerk grotendeels opgedroogd. Veel sleutelfiguren zijn afgehaakt na het strafontslag van radicaliseringsambtenaar Saadia A.-T. in 2017, die het netwerk in de hoofdstad eigenhandig had opgebouwd. Ook de ‘Expertise Unit Sociale Stabiliteit’ – de afdeling van het ministerie van Sociale Zaken die zich laat voorstaan op haar uitstekende contacten binnen islamitisch Nederland – geeft niet thuis. Daar vinden ze het een probleem voor Amsterdam: die moet zijn eigen contacten maar aanboren.

In een poging dat te doen ontvangt Halsema op 9 maart in haar ambtswoning zo’n vijftien ‘sleutelfiguren’ – vooral: bestuurders van islamitische organisaties – die meedenken over manieren waarop de gemeente het Haga „van binnenuit” zou kunnen „hervormen”. De aanwezigen zijn het erover eens dat er iets moet gebeuren tegen die „rare mensen” van het Haga, staat in een gespreksverslag.

Maar als sleutelfiguren twee dagen later weer bij elkaar komen op stadsdeelkantoor Nieuw-West, blijkt dat zij voor zichzelf geen rol zien weggelegd in de strijd tegen de school. Halsema vraagt wie van hen wil optreden als gespreksleider van de informatieavond die de gemeente organiseert voor Haga-ouders. „Ik heb jullie nódig!” Maar niemand wil. De gemeente hoopt ook dat de islamitische organisaties gezamenljk willen oproepen tot het aftreden van het Haga-bestuur. De aanwezigen willen niet verder gaan dan een oproep aan Atasoy en de zijnen om „hun verantwoordelijkheid te nemen”. Dat statement wordt door een van de ondertekenaars, scholenkoepel ISBO, daags erna verder afgezwakt. Met „verantwoordelijkheid nemen” bedoelde de ISBO eigenlijk dat de Haga-leiding „constructieve gesprekken” moet aangaan.

De door Amsterdam georganiseerde ouderavond is dan al faliekant mislukt. Er is te weinig ruimte voor de ruim tweehonderd ouders, die allemaal in de hoofdzaal willen. Als dat niet past, besluiten ze te vertrekken, daartoe aangespoord door Haga-medewerkers. Bij de herkansing de dag erna – Halsema huurt een gigantisch partycentrum af – blijven de ouders massaal weg. De ouderraad had hen opgeroepen de avond te mijden.

Met de ouderraad voeren Halsema en PvdA-wethouder Moorman op de achtergrond gesprekken in een poging hen los te weken van Atasoy. De bestuurders praten in op de twee Haga-moeders die de ouderraad aanvoeren. Zij hebben een krachtige positie, zeggen Halsema en Moorman. Kunnen zij niet druk uitoefenen op het bestuur, zodat die vertrekt? Dan mogen ze zelf een interim-bestuurder voordragen. Wat nu als zij de ouders, zónder Atasoy, eens bijeenbrengen voor een ontmoeting met de burgemeester? De pogingen stranden. De vrouwen blijven achter de schooldirecteur staan.

Intussen breidt Atasoy langzaamaan zijn overredingskunsten uit. Hij volgt een training in woedebeheersing voor het geval hij media te woord moet staan en hij opent zijn deuren steeds vaker voor journalisten. Aan hen legt hij uitgebreide theorieën voor over hoe de staat zich eensgezind heeft gestort op het sluiten van zijn school. Hij laat heimelijk gemaakte opnames horen en praat met onderwijsdeskundigen, die zich vervolgens publiekelijk uitspreken tegen de wijze waarop de overheid tegen het Haga optreedt.


Foto David van Dam

Foto David van Dam

Rapport in de la

De Onderwijsinspectie werkt ondertussen aan een nieuw rapport. Een positief conceptrapport over het Haga legt ze na de AIVD-waarschuwingen in januari in de la. De school moet opnieuw worden onderzocht – maar wel op een andere manier.

Waar de inspectie in eerste instantie coulant is voor het net geopende Haga, besluit ze na het ambtsbericht tot een diepgravend onderzoek naar het „bestuurlijk handelen” op het Haga. Daarmee lijkt het lot van de schoolleiding min of meer bezegeld: alle keren dat de inspectie dit type onderzoek uitvoerde, leidde het (indirect) tot het opstappen of wegsturen van bestuurders of toezichthouders.

Tijdens de eerste taskforcebijeenkomst op 21 januari hoort de AIVD dat de inspectie voor dit onderzoek gebaat zou zijn bij nadere inlichtingen over de financiën van het Haga. Daarop stuurt de inlichtingendienst haar en de rest van de taskforce een geheim bericht met een gedetailleerd overzicht van dubieuze geldstromen rond de familie Atasoy. Deze gegevens hadden nooit aan de inspectie verstrekt mogen worden, zou toezichthouder CTIVD later oordelen. Bovendien wekte de AIVD in zijn duiding de indruk dat de geldstromen zouden wijzen op gesjoemel, terwijl dat niet werd onderbouwd.

Het is niet de enige keer dat door samenwerking de rollen van overheidspartijen in het Haga-dossier door elkaar lopen. Zo schuift de inspectie aan bij de taskforce die manieren bedenkt om het Haga te sluiten, terwijl de inspectie de taak heeft de kwaliteit van het onderwijs met een onafhankelijke blik te beoordelen. Inspecteur-generaal Monique Vogelzang ziet er geen probleem in: „Wij zijn prima in staat om dat gescheiden te houden.”

Maar interne mails suggereren dat de inspectie in die overleggen op zijn minst meedenkt over hoe een belastend dossier tegen het Haga opgebouwd kan worden. Zo verwacht de inspectie „weinig” van een onderzoek naar „burgerschap”, staat in aantekeningen van de bijeenkomst, en wordt het doorlichten van de administratie „het meest kansrijk” genoemd. Volgens de inspectie heeft zij dit nooit zo gezegd en zijn dit de persoonlijke aantekeningen van een onderwijsambtenaar.

Op 8 maart ontvangt inspecteur-generaal Vogelzang een mail van een directeur van het ministerie van Onderwijs. De mail is grotendeels weggelakt in de verstrekte Wob-stukken, maar NRC achterhaalde de inhoud ervan. De directeur meldt Vogelzang dat de ministers van Onderwijs en Justitie het „uitdrukkelijke verzoek” hebben gedaan om verschillende mogelijkheden te verkennen „tot beëindiging van de bekostiging, ook buiten de reguliere onderwijswetgeving om”. De „onderzoeken van de inspectie” moeten daarom worden voorbereid vanuit het „perspectief” van deze „varianten”.

Het leest als een aansporing voor de inspectie met bevindingen te komen die sluiting mogelijk maken. Vogelzang legt de mail anders uit. Volgens haar zou de boodschap bedoeld zijn voor ambtenaren van het Onderwijsministerie, aan wie de mail ook is verzonden. „Zij moeten zich voorbereiden op de mogelijke uitkomsten van ons onderzoek”, aldus Vogelzang. „Wij zijn volledig onafhankelijk.”

Maar in een gesprek dat de Onderwijsinspectie een maand later – het eigen onderzoek is nog in volle gang – voert met twee algemeen bestuursleden van het Haga, lijkt het toch alsof ze al een uitkomst voor ogen heeft: het vertrek van schooldirecteur Atasoy. Aanleiding voor het gesprek is een opmerking van Atasoy, die de inspectie vanwege haar grondige aanpak met de Gestapo vergeleek. Directeur toezicht Hariët Pinkster en de inspecteur die voor het Haga verantwoordelijk is, komen met een „groot verzoek” aan algemeen bestuurders Mohammed Laamimach en Sadrettin Karadag. De ouders, leerlingen en docenten werken zo goed mee aan het inspectie-onderzoek, zegt Pinkster, „maar het wordt verpest door de dagelijks bestuurder”.

„En ú bent in de gelegenheid er iets aan te doen”, vult de inspecteur aan. „U bent de werkgever, u kunt optreden, u kunt ervoor zorgen dat er een andere situatie ontstaat. U bent in de positie om – het is nog niet te laat hè, de school is er nog, wij zijn er niet op uit de school te sluiten – u bent in de positie om in te grijpen. En dat is de boodschap die u vandaag te horen krijgt: grijp in, doe iets, voordat het misschien straks wél te laat is.” Pinkster: „Is dit wel degene op de juiste plek?” Ze wil graag in twee weken weten wat de bestuurders doen „met de informatie” die zij hen nu geeft. „Dus wat u nu doet naar de heer Atasoy.” Maar, evenmin als de gemeente Amsterdam succes behaalde bij de Haga-ouderraad, leidt deze poging van de inspectie niet tot ontrouw van de bestuurders aan directeur Atasoy.

Op 11 juli komt de inspectie met haar nieuwe rapport. Ze beticht de schoolleiding van wanbeheer en zegt het vertrouwen op in het hele bestuur, dus ook in Laamimach en Karadag. Voor publicatie leven binnen de overheid „brede zorgen” over „de landing van het rapport”, staat in een ambtelijke nota aan minister Slob. Er wordt gewaarschuwd voor „polarisering” in de samenleving. Er is behoefte aan een „verbindende” communicatiestrategie die gericht is op „de-escalatie en herstel van vertrouwen”. De nieuwe „kernboodschap” moet worden dat Nederland het beste voor heeft met islamitisch onderwijs, maar dat het Haga-bestuur „met haar gedrag” de reputatie van het islamitisch onderwijs „schade heeft aangedaan”.

Foto David van Dam

‘Toevallige’ timing

Precies op de dag dat Slob het bestuur de wacht aanzegt vanwege het kritische inspectierapport, dreigt de minister óók de gemeenteraad van Westland (Zuid-Holland) buitenspel te zetten om de komst van een nieuwe islamitische basisschool mogelijk te maken. Tevens dwingt hij die dag het bestuur van een hindoeïstische school in Den Haag op te stappen vanwege financieel wanbeheer. En als Slobs aanwijzing tegen het Haga in september definitief wordt, krijgt op dezelfde dag de orthodox-joodse middelbare school Cheider in Amsterdam óók een berisping.

De timing is „toeval”, zegt minister Slobs woordvoerder. Maar het is wel in lijn met de strategie van de taskforce – verwoord in interne e-mails – om gedurende het Haga-dossier „een positief beeld naar buiten” te brengen over het islamitisch onderwijs en te laten zien dat de minister optreedt tegen álle misstanden in het onderwijs.

Toch lijkt die boodschap niet over te komen bij de Haga-achterban om wie het in eerste instantie allemaal te doen was. Sinds het naar buiten brengen van de belastende inlichtingen van de AIVD is het leerlingenaantal van de school bijna verdubbeld, van zo’n 175 naar bijna 300 leerlingen. Op de dag dat het rapport gepubliceerd wordt, nodigt Atasoy moskeebestuurders uit op zijn school. Tientallen komen opdagen. Als zij gevraagd worden of zij het Haga nog steunen, zeggen zij volmondig „ja”. Bij de taskforce beseffen ze dat de slag om de beeldvorming is verloren. Sociale Zaken belegt op 12 juli een bijeenkomst met twintig islamitische koepelorganisaties om erover te praten. De uitnodiging leest als een excuusbrief. De overheid heeft „onvoldoende duidelijk” gecommuniceerd over het Haga, schrijft het ministerie, „waardoor het gevoel is ontstaan dat de gehele school, inclusief docenten, ouders en leerlingen in een kwaad daglicht zijn gesteld”. Dit „betreuren wij ten zeerste”.

Op de bijeenkomst regent het inderdaad klachten over het overheidsoptreden. Inspecteur Hans Oepkes legt de aanwezigen uit dat het Haga-bestuur „de kwaliteiten en ervaring” niet heeft. Maar, voegt hij toe, dit rapport gaat over dit specifieke bestuur, „niet over het islamitisch onderwijs”. Dat doet het namelijk prima, in sommige gevallen zelfs „excellent”. Zijn toehoorders vragen zich af waarom het nieuwe rapport zo sterk verschilt van het eerste. En hoe zit het met de beeldvorming en de rol van de inspectie daarin? De inspectie is, zegt Oepkes, „per definitie objectief en neutraal”. Dat blijkt ook uit het feit, probeert hij zijn stelling kracht bij te zetten, dat de inspecteurs „niet hebben vastgesteld dat er sprake is van salafistische invloeden”.

Het voorbeeld valt niet goed. „Wat als u wél salafisme zou vaststellen?”, vraagt een van de aanwezigen. „Ik ben ook salafist, so what?” De inspectie doet „geen uitspraken” over of salafisme „nou wel of niet goed is”, probeert Oepkes. „Het gaat meer om extremisme waar we denk ik bang voor zijn.”

Als het om extremisme gaat, zegt een vrouw, „dan moet je dat in je rapport zetten”.

„En niet salafisme”, valt een ander haar bij.

„U heeft echt volstrekt gelijk”, antwoordt Oepkes. „De zin in het rapport luidt: ‘De inspectie heeft geen aanwijzingen dat een deel van de lessen salafistisch karakter hebben of zo wordt ingekleurd.’ Je kunt dat heel neutraal zien, maar je kunt dat ook zien als een negatieve duiding van salafisme. Daar heeft u wel gelijk in.”

„Als dat geen negatieve duiding had”, zegt een man, „hadden jullie dat ook niet gedaan”.

„Niet zo handig dit”, roept een volgende.

Oepkes: „Nogmaals, wij hebben niet gekeken in hoeverre het onderwijs nu salafistisch van karakter is. Het staat er misschien wat eh, eh… onhandig, misschien moet ik het zo zeggen.”

Lees ook: Omstreden school met enthousiaste leerlingen

Juridische strijd gaat verder

De strijd om het inspectierapport en het stopzetten van de bekostiging verplaatst zich in de maanden daarna naar de rechtszaal. Busladingen leerlingen en ouders volgen Atasoy naar de Raad van State, die eind november oordeelt dat minister Slob zich niet aan de regels heeft gehouden en de financiering van de school niet in één keer mag opschorten. Of het Haga zijn bekostiging ook voor langere termijn weet veilig te stellen, wordt duidelijk als de rechtbank Amsterdam en de Raad van State de komende maand uitspraak doen in andere zaken die Atasoy aanspande tegen de staat.

Vooralsnog is de school – een klein jaar nadat de veiligheidsdienst zijn eerste waarschuwingen aan Amsterdam uitte – nog altijd open. Uitgelaten leerlingen rennen door de gangen van het kleine, vierkante gebouw in Amsterdam Nieuw-West. De gebedsoproep schelt door de dunne muren. In de directiekamer, op Atasoys bureau, ligt een envelop met 450 euro van een anonieme islamitische donateur. Tegen de muur staat een rits dikke ordners voorbereiding op de lopende rechtszaken en de gesprekken die Atasoy voerde met de CTIVD.

Het onderzoek van de toezichthouder heeft „de dingen veranderd”, zegt de schooldirecteur. Hij knijpt zijn ogen iets toe. „Er staan rechters op. Er staan mensen op. Er beweegt heel veel.” Atasoy staart naar het whiteboard achter zijn bureau. Dat is volgestift met voor de rechtszaken relevante wetsartikelen en passages uit het inspectierapport. „Dit”, zegt hij, „dit is de zaak van de eeuw.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Binnen de muren van het Haga Lyceum

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.