Foto Kees van de Veen

Interview

‘Het mooiste dat ik heb opgegraven is mijn vrouw’

Interview archeoloog Tjalling Waterbolk (95) publiceert zijn memoires over zeventig jaar in het vak. „Archeologie maakt de wereld te bevatten.”

Hij heeft zich beziggehouden met de periode van de prehistorie tot de middeleeuwen, zijn werkterrein strekte zich uit van Noord-Nederland tot Syrië, Zwitserland, Turkije en toenmalig Joegoslavië en hij was internationaal van grote invloed op de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke dateringsmethoden en de studie van de verspreiding van de landbouw. Verder hield hij zich bezig met nederzettingen, huisplattegronden en de longue durée (langetermijngeschiedenis) van het cultuurlandschap. In vakkringen geldt hij als een van de belangrijkste naoorlogse archeologen van Nederland, zo niet de belangrijkste.

Typisch een wetenschapper die na zijn dood een necrologie in de krant verdient. Maar voorlopig ademt Tjalling Waterbolk nog door. De emeritus hoogleraar van de Groningse universiteit is op zijn 95ste in elk geval de oudste nog actieve archeoloog van Nederland. Na zijn emeritaat in 1987 zijn er nog meer dan 120 publicaties van hem verschenen. Kort geleden heeft hij nog geopponeerd bij een promotie en dan is er ook nog de aanstaande publicatie van zijn autobiografie, Veranderend verleden. „Ik heb geprobeerd er ook een tijdsbeeld van te maken.”

Na valpartijen en een scheur in zijn heupen, woont hij sinds een jaar met zijn 94-jarige vrouw in een verzorgingstehuis. Hij zit in een rolstoel. Lopen in de hem zo geliefde natuur is er niet meer bij. „Gelukkig hebben we hier een goed uitzicht. We kijken elke dag naar hoe de verschillende bomen bloeien en hun bladeren verliezen.”

In plaats van buiten lopen doet hij nu aan tijdreizen in zijn hoofd. Vraag hem naar zijn eerste opgraving en hij zit zo in zijn geboorteplaats Havelte. „Ik ruik de bloemen op de hei in augustus, hoor wulpen in de lucht, lig plat op de grond in het bos bij de molen om de dennenorchissen te bestuderen, spreek Drents met m’n schoolvriendjes, ontdek een buizerdnest bij het Brandeveen en snuif de geur op van het stro in de stal op de boerderij waar ik melk haal. In 1946 deed ik als student-assistent in Havelte mijn eerste opgraving. Van vroeger kende ik de verhalen over het Eupen Bargien (Open Bergje). Het zou er spoken, daarom werd het ook wel het Spoekbarchien (Spookbergje) genoemd. Er zouden soldaten begraven zijn en er zou een ton met goud liggen. Het bleek een grafheuvel uit de Midden-Bronstijd met twee centrale graven en een vijftal latere bijzettingen. Ook vonden we een bronzen beitel. Bijzonder was dat het hele dorp kwam kijken, ook mijn ouders en meester De Vries, mijn vroegere onderwijzer.”

In die tijd kon je archeologie nog niet als hoofdvak studeren.

„Ik ben vanuit de biologie in de archeologie terechtgekomen, omdat mijn voorganger Van Giffen iemand zocht die verstand had van pollenanalyse. Door de biologie heb ik geleerd op zoek te gaan naar orde, structuren en verbanden. In 2009 heb ik nog een typologie van huisplattegronden geschreven, want zo’n typologie is de basis om verbanden te kunnen leggen en iets algemeens te kunnen zeggen.”

Pas in 1960 is prehistorische archeologie in het Academisch Statuut opgenomen.

„De jaren zestig waren de gouden tijd aan de universiteit, heb ik achteraf beseft. Er was volop geld, we hadden bijna geen studenten en alle tijd om een paar weken in het buitenland te werken. De opgraving van Tell Bouqras in Oost-Syrië, waarover ik in Science een artikel over de landbouwverspreiding heb geschreven, heeft de meeste indruk gemaakt, vooral de directe contacten met de lokale bedoeïenenbevolking en het fascinerende steppemilieu. Door de berichten in het nieuws word ik er nu nog elke dag aan herinnerd.”

Maar ook Denemarken neemt een speciale plek in, toch?

„Daar zijn we in 1950 op huwelijksreis geweest: voor mijn promotieonderzoek naar de natuurlijke omgeving van de prehistorische mens hebben we samen – mijn vrouw was botanisch analiste – zes maanden achter de microscoop gezeten in het lab van de Deense pollenexpert Johannes Iversen. Daar hoorden we voor het eerst dat Walter Libby in de VS een nieuwe dateringsmethode aan de hand van C14-metingen had ontwikkeld. Bij terugkomst in Nederland had Van Giffen al de Groningse fysicus Hessel de Vries opdracht gegeven om ook een apparaat voor die koolstofdatering te ontwikkelen. De Vries heeft ontdekt dat er wereldwijd kleine schommelingen zijn geweest in de hoeveelheid C14 in organisch materiaal. Langs dendrochronologische weg, het dateren met behulp van jaarringen in bomen, is het na veel moeite en lange tijd gelukt de dateringen te ijken. Tot begin jaren zeventig bestond er in Duitsland en Centraal-Europa nog weerstand tegen deze in hun ogen oncontroleerbare natuurwetenschappelijke intrusie in het vak.”

Nu is er een nieuwe ‘natuurwetenschappelijke intrusie’, door dna- en isotopenonderzoek.

„Ik lees weleens wat, en dan schud ik mijn hoofd. Ik zie snelle generalisaties aan de hand van één vondst. Door het C14-onderzoek heb ik ook geleerd voorzichtig te zijn, omdat er grote kwaliteitsverschillen bij de laboratoria kunnen zijn.”

Na opgravingen in 1963 in Odoorn ontdekte u dat er vaak directe verbindingen zijn tussen het huidige cultuurlandschap en het verre verleden. In Drenthe zijn bijvoorbeeld veel structuren in het landschap al in de prehistorie ontstaan. De jaren erna heeft u vaak gepleit voor instandhouding van dat cultuurlandschap. Hoe wordt er nu met dat landschap omgegaan?

„Slecht. Toch kun je me nog steeds in een willekeurig Drents dorp neerzetten en ik voel me er thuis en weet er de weg, met de kerk aan de rand van de brink, omdat de bewoning er eerder was dan het christendom.”

Zit in het laten zien van dat soort verbanden het maatschappelijke belang van archeologie?

„In mijn boek citeer ik de Duitse filosoof Odo Marquard (1928-2015): ‘De moderne mens heeft behoefte aan een tegenwicht tegen de voor hem vaak volstrekt onbegrijpelijke technologische ontwikkelingen. Geesteswetenschappen – en dus ook de archeologie – beantwoorden aan die behoefte.

Lees ook: Kunst ontdekt van 43.900 jaar oud

Verhalen van de archeoloog over hoe de mens zich in opeenvolgende perioden in leven hield, hoe hij vuursteen bewerkte, potten bakte en metaal smolt zijn wel begrijpelijk. Verhalen over hoe de mens zijn doden bezorgde, hoe sociale verschillen tot uiting kwamen zijn wel te bevatten. De archeoloog kan vertellen hoe het klimaat, de plantengroei en de dierenwereld veranderden, waar men woonde en in wat voor huizen.’”

In het verzorgingstehuis ontdekte Waterbolk dat veel mensen toch nog steeds het idee hebben dat het bij archeologie draait om het vinden van potjes en pannetjes. „Dan vragen ze wat het mooiste is dat ik ooit heb opgegraven. ‘Mijn vrouw’, antwoord ik dan.”