Jan Hanlo, Helmersstraat

Toen ik in 1966 of daaromtrent in de Stadionstraat kwam te wonen, stond daar behalve een boekenkast vol Du Perron een groot bureau met daarop de correspondentie tussen Jan Hanlo en Simon Vinkenoog. Ik nam me voor de brieven te lezen en vergat het.

Bij mijn vertrek uit het huis, anderhalf jaar later, lagen de brieven er nog net zo als ze er lagen toen ik voor het eerst aan het bureau ging zitten. De in 1989 verschenen Brieven van Jan Hanlo staan sinds 1989 in de kast, maar nu ben ik ze dan toch aan het lezen. Fascinerende lectuur.

In mei 1943 wordt Hanlo te werk gesteld in Berlijn. In zijn eerste brief aan zijn moeder informeert hij zo terloops „en Knak?” Tien dagen later, op 18 mei 1943 is het: „Heeft Knak een spits gezichtje?” 6 juni: „Knakmans zal wel goed tieren.” 29 juni: „Wordt Knak nu al een oude heer of is hij nog steeds jong?” 25 juli: „Alles goed? Ook met de zwarte Knak?”

Preludes allemaal op Hanlo’s magistrale ‘Hond met bijnaam Knak’: ’God, zegen Knak/ Hij is nu dood/ Zijn tong, verhemelte, was rood/ Toen was het wit/ Toen was hij dood/ God, zegen Knak// Hij was een hond/ Zijn naam was Knak/ Maar in zijn hondenlichaam stak/ Een beste ziel/ Een verre tak/ Een oud verbond/ God, zegen Knak’.

In Amsterdam woonde Hanlo op een kamer in de Helmersstraat 15, tweehoog. Van café Eylders op weg naar huis moest hij tegen de wind in lopen, dus liep hij in een ruk door zijn kamer naar het dak en viel eraf. Om zowaar op de waslijn van de buren te belanden. Zonder geluk valt niemand van het dak heet het boek dat hij over zijn gekte schreef.

In 1961 maakte ik kennis met Jan Hanlo, op een feestje waar Philip Mechanicus en hij met elkaar spraken in middeleeuws klinkende verzen.

Jan Hanlo was de dichter van ‘Oote oote boe’, maar mooier nog vond ik ‘De mus’: ‘Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp/ tjielp tjielp tjielp – tjielp tjielp/ tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp/ tjielp tjielp tjielp// Tjielp/ etc.’

Als je Hanlo tegenkwam op een feestje had hij een gasmasker op tegen de rook, of hij was net beroofd, meestal op het Kattenburgerplein, en ging daarom met de pet rond. Als hij op zijn Vincent-motorfiets van Valkenburg naar Amsterdam reed en zich verveelde, ging hij bij zichzelf achterop zitten en deed of hij in slaap gevallen was.

De laatste keer dat ik hem zag, zat hij achter het bureau van een andere schrijver iets te schrijven. Ramen en deuren stonden open. Hanlo had een winterjas aan, en droeg een pet en melkboeren-handschoenen.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.