Opinie

Dood beest

Tommy Wieringa

Memphis Depay, Nederlands voetballer in Franse dienst, zette pasgeleden een filmpje online waarin hij materialen leek uit te zoeken voor zijn nieuwe Rolls-Royce. Het beeldbericht is doorsneden met nieuwrijke symbolen: achtereenvolgens zien we een gouden horloge aan zijn pols, een glas whisky in zijn hand en een fraaie zonnebril op zijn neus, plus de obligate glazen champagne. Het lijkt, nee ís een glanzend reclamefilmpje – met de voetballer zelf als product. Niet om aan te schaffen maar om te bewonderen. We mogen vermoeden dat hij door het automerk opzichtig in beeld te brengen korting heeft gekregen op het notenhouten dashboard. De uitstalling van obscene rijkdom wordt besloten met een maxime: ‘When things don’t happen right away, remember it takes 6 months to build a Rolls Royce and 13 hours to build a Toyota. Both work. I prefer the first one though.

Ik werd op een Tanzaniaanse bergweg aan Depays excentrieke mengsel van pronkzucht en levenswijsheden herinnerd. Zondagmiddag, de zon loodrecht boven mijn hoofd, op een weggetje een eind de Kilimanjaro op. Ik had daar veel tijd stuk te slaan nadat ik met een geleende Toyota Rav4 in volle vaart op een brugdeel was geklapt. Ik keek opzij naar een dood dier op de weg en zo ontging me het lage brugdeel – een geweldige klap en de auto die een meter of tien verderop tot stilstand kwam. Laat het meevallen, laat het meevallen – maar het viel niet mee. De band aan flarden gescheurd, de wielophanging ontzet. Het duurde al met al nog geen minuut voor uit een tegemoetkomende auto drie mannen sprongen die zonder introductie of overleg de Toyota opkrikten, het wiel losschroefden en vaststelden dat ook de schokdemper verbogen was. Pole.

Jammer man. Als ze maar een sleutel nummer veertien hadden om de schokdemper los te krijgen. Een van de bergers werd achterop een passerende brommer naar een dorp bergafwaarts gestuurd en keerde een klein halfuur later terug met het benodigde gereedschap. Zo vormde zich op die bergweg in een oogwenk een kleine, mobiele garage rond het gehavende voertuig. Bekwame lui die geen moment de indruk gaven dat het niet in orde zou komen, ook al was het zondag en was de bewoonde wereld een eind weg. Soms passeerde er een auto vol vrolijke drinkers, een bergaf kuierende rastaman met een handvol hennepplanten wilde me troosten met een kanon van een joint. Zwetend en grommend wrikte de chef monteur de schokdemper los. Eén telefoontje later had hij een tweedehands exemplaar opgeduikeld in Moshi. Ze bonden de oude schokdemper achterop de brommer en verdwenen in het stof. Zo vlug als de mobiele garage was ontstaan was ze ook weer verdwenen. Ik had nu alle tijd om de dode galago te bekijken – een kleine primaat die ’s nachts actief is – en aan het verschil tussen Toyota’s en Rolls-Royces te denken. Aan een Rolls had je hier niks, aan een Toyota alles. Het ding was makkelijker in en uit elkaar te halen dan een Ikea-meubel. Ik had met Toyota’s al veel avonturen beleefd. De eerste auto die ik ooit kocht was een onverwoestbare Toyota Carina, die aan het eind van zijn leven in een ravijn buiten het Spaanse Calpe verdween, en nog verder terug in de tijd werd ik er op Aruba door eentje overreden, op een even hete dag als deze, op een even hete weg. Heup kapot, onmiddellijke repatriëring naar het moederland. Resoluut afscheid van het eiland van mijn jeugd. En met die herinnering verschijnt ook mijn moeder, die sussend zegt ‘wie weet waarvoor we gespaard zijn gebleven’. Dat is haar vaste bezwering. Zo stelt ze me gerust, door het kleine kwaad te relativeren met het grotere kwaad dat ons bespaard gebleven is; deze troostende fictie werkt wonderwel.

En als na een uur of drie langs die rotsachtige laterietweg de Toyota weer is opgelapt, reken ik een tweedehands schokdemper en wat bergingsgeld af, en gaan we als broeders uit elkaar.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.