De onbegrepen Haagse zakkenvullers

Vergoedingen Kamerleden De scepsis over vergoedingen voor politici is van alle tijden. Pogingen om die weg te nemen hebben weinig uitgehaald.

„De hoge dames en heren in Den Haag weten weer goed voor zichzelf te zorgen.” Het verwijt was de afgelopen weken weer in diverse toonaarden te horen. Aanleiding dit keer was VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff van wie bekend werd dat hij naast zijn inkomen als Kamerlid ook aanvullend wachtgeld ontving uit zijn tijd dat hij in het kabinet zat.

Sindsdien staat Dijkhoff midden in de storm. Net als Kamerlid Isabelle Diks (GroenLinks). Ook zij diende zich te verantwoorden voor een aanvulling op haar salaris. Bovendien moet de voormalige wethouder uit Leeuwarden opheldering verschaffen over haar reiskostenvergoeding. Hoe zit het trouwens met de autoregeling van FVD-fractievoorzitter Thierry Baudet? En was er ook niet iets met Mark Rutte in zijn tijd als VVD-fractievoorzitter? Wie volgen er nog meer?

Beluister ook de podcast Haagse Zaken: Van premier tot Kamerlid: dit verdienen landelijke politici

Politici en hun salaris, het leidt niet zelden tot scheve ogen, verontwaardiging en tumult. Het gehanteerde vocabulaire is aan de scepsis aangepast. Politici verdienen niet, maar strijken op, toucheren of incasseren. De „best betaalde werkstudent van Nederland”, werd VVD’er Hans Wiegel genoemd toen hij in 1967 met zijn 25 jaar werd verkozen. De aangeklaagden zijn eraan gewend: werken voor de publieke zaak betekent tevens publiek ter discussie staan. Soms buigen ze voor de stem des volks, soms niet.

Klaas Dijkhoff vond dat hij recht had op zijn aanvulling en was niet van plan iets terug te storten. Dat veranderde toen de kritiek aanhield en er ook vragen rezen over zijn reiskosten. Dijkhoff wilde voorkomen dat hij en de VVD constant over de kwestie werden aangesproken en besloot daarom zijn niet veranderde mening „opzij te zetten” en zijn rechtmatige wachtgeld alsnog te laten stopzetten. Op zijn Facebookpagina waar hij dit bekendmaakte had de VVD-fractievoorzitter en veelgenoemde kroonpins nog wel een boodschap voor zijn critici: „Ik vind het een kromme redenering om wel de wet goed te vinden, maar niet de toepassing ervan. Dan zou je de wet moeten aanpassen.”

Subjectieve gevoel

De wet aanpassen is door de jaren heen onophoudelijk gebeurd. Maar het probleem gaat er niet mee weg. Er is de wet die zegt dat het kan waar het subjectieve gevoel of het wenselijk is tegenover staat. Extra complicatie: Kamerleden beslissen als medewetgevers over hun eigen salaris.

Er waren tijden dat Kamerleden in het geheel geen salaris kenden. De grondwet van 1815 sprak van „goedmaking der verblijfskosten in de plaats der bijeenkomst”. Het ging om 2.500 gulden (1.134 euro) per Kamerlid per jaar. Daarnaast waren er reiskosten. Leden hadden recht op „een zilveren ducaton ter waarde van drie guldens en drie stuivers voor ieder uur afstand, tusschen hunne woonplaats en de stad alwaar de Staten-Generaal bijeen geroepen zijn”. Maar dat was het dan ook.

De Tweede Kamer bestond uit door de Koning aangewezen personen, mannen uit een selecte bovenlaag van de samenleving. Het algemeen kiesrecht zou pas honderd jaar later worden ingevoerd. De staatstaken waren beperkt en zodoende ook de werkzaamheden van de Kamerleden. In de tweede helft van de 19de eeuw kwam hierin verandering, toen onder leiding van Thorbecke de macht van de Koning sterk was teruggedrongen. Het werk nam toe wat ten koste ging van de ‘normale’ baan. Daarom werd gesproken over verhoging van de vergoeding. Maar de „taak” van de volksvertegenwoordiger mocht „niet ontaarden in een beroep”. Dat zou de onafhankelijkheid kunnen aantasten.

Toch begon het daar wel steeds meer op te lijken. In zijn proefschrift over de maatschappelijke herkomst van Kamerleden tussen 1849 en 1970 concludeerde de Leidse hoogleraar Joop van den Berg in 1983 dat de Tweede Kamer was veranderd van een „vergadering van lokaal georiënteerde notabelen” in „de werkplaats van beroepspolitici” die hun legitimiteit ontleenden „aan de effectiviteit waarmee zij problemen oplossen”.

Gederfde inkomsten

Die professionalisering is afgelopen 35 jaar alleen maar toegenomen. Dat vertaalde zich in de beloningsstructuur. Om het bijzondere van het Kamerlidmaatschap te benadrukken repte de grondwet tot 1972 over „schadeloosstelling”. Het was immers een vergoeding voor gederfde inkomsten uit ‘normaal’ werk. Maar in de jaren zeventig werd schadeloosstelling als een „archaïsche” term beschouwd. Toch werd bij de grondwetsherziening van 1983 besloten het begrip weer te hanteren. Dit gebeurde nadat een werkgroep had geconcludeerd dat het Kamerlidmaatschap „niet is te vergelijken met een andere functie”.

Een bijzondere functie en zodoende zijn de debatten over de beloning ook altijd bijzonder én beladen. „We moeten ons er niet voor schamen”, zei Tweede Kamerlid Jan-Kees Wiebenga (VVD) in 1990 nadat zijn D66-collega Olga Scheltema het vaststellen van het eigen salaris in het zoveelste debat „een moeilijke en ondankbare taak” had genoemd.

Bij een volgende wetswijziging werd de besluitvorming over het inkomen ‘geneutraliseerd’ door de bezoldiging van Kamerleden rechtstreeks te koppelen aan de ambtenarensalarissen in schaal 16.

Het hielp gedeeltelijk want er waren nog de andere regelingen zoals reiskosten, onkosten, wachtgeld. Zo zal de discussie nooit ophouden, zoals de voorbije weken is bewezen. ‘Pas op voor zakkenrollers’, stond er vorig jaar op een waarschuwingsscherm van de politie in de winkelstraat pal voor het gebouw van de Tweede Kamer. De dubbelzinnigheid van de mededeling ontging maar weinigen.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: Van premier tot Kamerlid: dit verdienen landelijke politici

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.