Recensie

Recensie Boeken

Iedereen in Parijs kende deze ‘stuitend knappe’ en verleidelijke arts

Julian Barnes De 19-de eeuwse vrouwenarts Samuel Pozzi kende iedereen in Parijs en iedereen in de beau monde kende hem. Julian Barnes schreef een prachtige biografie over zijn leven.

Julian Barnes is een schrijver die popelt. Hij kan niet kiezen, hij heeft zoveel te vertellen. En dus voelen de eerste pagina’s van De man in de rode mantel als de ouverture van een musical: de motieven van alle songs passeren vast, je wordt opgewarmd, je krijgt er zin in. Oftewel: in korte alinea’s beschrijft hij hoe hij dit boek zou kunnen beginnen. In Londen, in gezelschap van drie Fransen. Of op huwelijksreis met Oscar Wilde. Of met een kogel. Of in Kentucky in 1809. Of in Boulogne-sur-Mer, in bed bij een man die niet weet wat hij moet doen.

Of met de rode mantel op een schilderij uit 1881. En zo begint dit boek met de Franse vrouwenarts Samuel Jean Pozzi. Hij was het die in een scharlakenrode peignoir poseerde voor de Amerikaanse societyschilder John Singer Sargent (1856-1925). Het indrukwekkende portret was voorjaar 2018 in Nederland, in het Rijksmuseum in Amsterdam, als het klapstuk van de tentoonstelling High Society.

Singer Sargents ‘Dr. Pozzi at home’ is een van de vele, onmisbare, beelden die Barnes (1946) in dit boek opnam. Soms zijn de illustraties waanzinnig (de foto van een Franse graaf die poseert als het hoofd van Johannes de Doper). Soms zijn ze even onbekend als prachtig (het zelfportret van Winnaretta Singer, 1885). Soms zijn ze instructief, zoals Pozzi’s portret van de legendarische Parijse fotograaf Nadar. ‘Stuitend knap’ noemde prinses Alice van Monaco hem op die foto en ze had gelijk. Knap omdat hij, inderdaad, tijdloos knap is. Stuitend omdat hij volmaakt zelfverzekerd oogt, maar óók aardig want níet ijdel, en elke vrouw zal gretig in zijn houding lezen dat hij, om het anachronistisch te zeggen, wars is van de neiging tot mansplaining.

Befaamd verleider

De illustraties ondersteunen wat je niet voor mogelijk houdt en ze accentueren dat dit boek, naast al het andere, óók over het wezen van de kunst gaat. Barnes wil ‘vergankelijke grillen’ duiden, en komt uit bij kunst en cultuur. Want, stelt hij vast: ‘Kunst heeft de tijd altijd mee’. Waarna hij Pozzi laat voor wat hij is, uitzoomt en een sprong neemt naar het bezoek aan Londen van drie met elkaar bevriende Franse mannen – voor zover je in hun tijd en milieu met iemand bevriend kon zijn: prins Edmond de Polignac, graaf Robert de Montesquieu en de burger Samuel Pozzi, vrouwenarts. Alle drie werden ze vereeuwigd door Marcel Proust in Á la recherche du temps perdu. Polignac onder eigen naam, Montesquieu als de verwaten baron de Charlus en Pozzi als dokter Cottard.

Pozzi Samuel Par Nadar

Barnes doet alsof, maar dit boek is geen biografie van dokter Pozzi, die soms tientallen bladzijden lang uit beeld verdwijnt. Barnes portretteert Pozzi weliswaar, maar met verhalen die uitwaaieren tot kleine essays. Hij ziet hem als dandy (met een analyse van de Franse en de Engelse dandy). Als ongelukkige echtgenoot (met een verhandeling over het toen vanzelfsprekende verstandshuwelijk). Als vernieuwend gynaecoloog. Als chirurg gespecialiseerd in de wonden die duels opleverden. Want wat nu op Twitter wordt uitgevochten, gebeurde toen in open veld, met secondanten en degens of vuurwapens. Pozzi was een befaamd verleider. Pozzi was hun beider leven lang bevriend met het fenomeen Sarah Bernhardt – onweerstaanbaar, ook voor Barnes die telkens nieuwe anekdotes over haar opdist. Pozzi vertaalde Darwin. Hij was anglofiel, zijn gordijnstof kwam van Liberty. En: Pozzi kende iedereen in Parijs en iedereen in de beau monde kende hem, zodat hij gaandeweg dit boek een mantra tussen haakjes wordt: ‘(Pozzi was overal bij)’.

Dorian Gray

Regelmatig komt Barnes op het rode-mantelportret terug. Wat vertelt het, waarom is het zo sterk? Hij zoekt, hij vindt niet. En onder al zijn veronderstellingen rammelt de beste roman op aarde over het wezen van een portret: The Picture of Dorian Gray (1890) van Oscar Wilde – die eigenlijk óók een hoofdpersoon van dit boek is. Barnes gaat ervan uit dat iedereen het boek kent en zelf zijn conclusies trekt over de strijd tussen mens en portret.

Dat is meteen de zwakte van dit prachtige boek: het veronderstelt heel erg veel kennis. Namen en termen kolken over de pagina’s, niemand behalve Barnes heeft dat allemaal paraat. Je kunt het allemaal opzoeken. Je kunt het ook laten zitten en je mee laten slepen door al die vreemde geschiedenissen die hij zo enthousiast opdist. Het ene moment zit je in Prousts ouderlijk huis aan tafel, het volgende mijmer je met Montesquieu over zijn vergulde schildpad, die, net als hijzelf, door Huysmans werd vereeuwigd in zijn neurotisch-decadente roman Tegen de keer.

Dit boek gaat ook over het grimmige sociale verkeer, de wetenschap, de bordelen en de moorden in de Belle Epoque.

Terwijl Barnes voortraast (regelmatig over een hekje springend naar waar ook iets aardigs te zien is, en weer terug) rent de lezer achter hem en zijn onderwerp aan: het einde van de 19de eeuw in Europa, beter bekend als de Belle Epoque. Het is zijn lievelingstijdvak vanwege de vele culturele woestelingen, van de gebroeders De Goncourt die alle roddel verzamelden in hun dagboeken, tot de agressieve dichter Jean Lorrain die zijn leven wijdde aan briljant te willen zijn. En over alles hangt de schaduw van Gustave Flaubert (1821-1880). Barnes, die zijn adoratie voor Flaubert belijdt waar hij maar kan, goochelt tegen het eind van De man in de rode mantel Flaubert tevoorschijn om de Belle Epoque in perspectief te zetten: de extreme kunstopvattingen, het grimmige sociale verkeer, de wetenschap, de bordelen, de moorden.

En net als de lezer denkt: ‘nou is dit een misogyn tijdvak, maar de vrouwen komen er wel erg bekaaid af’, schetst Barnes een uitvoerig portret van Cathérine Pozzi, dochter van. En schrijft een hoogtepunt van dit boek. Wispelturig en hoog-intelligent als haar vader was ze, maar zonder kans om haar sprankeling bot te vieren. Verliefd op een dichter, ook dat nog. En dus onverdeeld sikkeneurig.